Preken

dat had je gedroomd…, Genesis 28: 10 – 22

Jakob is op de vlucht.
Hij heeft op een slinkse manier zijn vader bedrogen en is zijn broer te slim af geweest. Moeder Rebecca zat mee in het complot, sterker nog: zij was met het idee aan komen zetten. Op een achterbakse manier hebben moeder en zoon, samengespannen tegen vader en broer, en nu is Esau woedend, zo kwaad, dat Jakob moet vluchten.
Jakob is op de vlucht. En voor het eerst van zijn leven slaapt hij vannacht niet in zijn eigen bed. Vannacht slaapt hij buiten, noodgedwongen. Niet in een bed met lakens en een kussen. Zijn kussen is vannacht een steen.

Jakob heeft een droom.
Hij droomt zich de hemel open. Misschien komt het dat hij vannacht onder de open hemel slaapt. Hij ziet sterretjes?
Het is een wonderlijke droom. De meesten van ons zullen het verhaal kennen, want het is sindsdien ook een beroemde droom geworden. De droom te Betel, want zo gaat hij straks deze plaats noemen, huis van God.
Jakob droomt van engelen. Hij ziet ze op en neergaan langs een lange ladder. De rabbijnen leggen uit dat die engelen omhoog dragen: het verdriet van Jakob, zijn schuld, zijn falen, zijn angsten. En wat ze dan van boven naar beneden dragen is: Gods troost.
Dat is een mooie gedachte. Je verdriet wordt naar God gebracht en je krijgt er troost voor terug. Werkt het zo? Of had je dat gedroomd?

Ik weet niet of Jakob dat ook al zo heeft ervaren, toen en daar op die eerste nacht buitenshuis. Misschien waren de indrukken van wat er gebeurd is nog te vers? Over het algemeen gaat het in de bijbelse verhalen nooit zo over de zielenroerselen van de personages. Daar mag je vrolijk naar raden. Je kunt je er alles bij voorstellen.

Deze verhalen bevatten allerlei motieven en thema’s. Een daarvan zou heel goed kunnen zijn, dat Jakob, de bedrieger, een levenlang leren moet om met de gevolgen van dat bedrog te leven.
Aan het begin van zijn tocht, zijn zwerftocht, staat de breuk met zijn broer Esau. Die wordt later, pas veel later, verzoend, al zal er altijd wat blijven hangen tussen die twee.

Om even kort in een klein detail aan te geven, dat die beide gebeurtenissen ook in het verhaal verbonden worden, wijs ik op een mededeling aan het begin van de tekst. Daar staat ‘dat Jakob gaat overnachten omdat de zon is ondergegaan‘.  Je denkt misschien, een tamelijk onbelangrijke mededeling. Maar niets in bijbelverhalen is toevallig. Nergens wordt in het verhaal van Jakob verteld dat de zon is ondergegaan, hier wel. Waarom? Om te markeren dat Jakob een grens is overgegaan, zoals hij letterlijk op het punt staat de grens van het beloofde land over te steken. Hij is immers onderweg naar de familie van zijn moeder, in het oosten. Hij maakt de omgekeerde route als zijn grootvader Abraham. En dat betekent ook wat. Zijn weg is een omweg. Zijn bestemming vindt hij pas onderweg.

De mededeling dat de zon is ondergegaan, markeert dat het donker wordt in zijn leven. Dat de gevolgen van zijn kwade daad hun schaduw werpen, zoiets. Pas veel later staat er opeens weer ergens dat de zon over Jakob opgaat.  Dat is dan niet meer toevallig, zeker niet als je weet – dat vertel ik u dus nu – dat dit verteld wordt nadat Jakob met de engel van God heeft gestreden, ook in de nacht, vlak voor de ontmoeting na jaren met zijn broer Esau. Als hij dan de grensrivier is overgestoken staat er dat hij ‘de zon zag opkomen’ (Gen. 33: 32).

In zo’n detail zit dus een hele wereld aan betekenissen verscholen.
Die herkenbaar is over alle eeuwen heen.
Als het conflict tussen de beide broers centraal staat, of misschien wel het innerlijke conflict bij Jakob, dan is dat net zoals dat in het gewone leven van ons dat vaak het geval is. Verwijdering, conflict, onbegrip, verwijdering tussen mensen, – en soms, verzoening, of … een manier om er mee te leven. Het kan je zo diep aangrijpen, dat je er ’s nachts wakker van ligt, of over droomt.

Wat ik maar zeggen wil.
We lezen deze verhalen, telkens weer opnieuw, om het plezier dat in het verhaal vertellen zelf zit. Maar ook om via de band van de oerverhalen, iets te leren over onszelf, over het leven, het leven onder een open hemel. Die oude bijbelse figuren, zijn spiegels waarin we facetten van ons zelf kunnen herkennen, of ontdekken.

En dan zijn we weer terug bij Jakob, met zijn hoofd op een kale steen. En zijn hoofd voorbij de nachtwolken, waar de zon schijnt.
Jakob droomt. Zoals een mens kan dromen. Wat is dat precies?
Daar kun je van alles over zeggen ,en sommige mensen weten heel wat uit een droom te halen. Volgens Freud is de droom ‘de koninklijke weg naar zelfkennis’.
Hoe dan ook, in een droom verwerk je wat je overdag mee hebt gemaakt of mee gaat maken. Je bent op een andere manier met de werkelijkheid bezig. Je geest neemt het als het ware over, maar wat is dat precies: je geest. Allemaal vragen.

In het verhaal staat, Jakob gaat slapen. Toen kreeg hij een droom. Zo zeggen we dat in onze taal en als je de klemtoon verlegt, dan wordt het opeens veelzeggend. Jakob krijgt een droom. Spreekt God tot de mensen via de droom?
Dat gebeurt vaker in de bijbel. De droom als middel waardoor God tot mensen spreekt. De droom, die op een belangrijk moment in je leven richtinggevend kan zijn, openbarend. Dat motief van de droom speelt volop in de verhalen van deze weken, straks als het over Jozef gaat, de dromenkoning.

Vorige week ging het over Jakob en Esau, over de twee broers. Vanaf nu volgt het verhaal Jakob, maar de schaduw van Esau en van het verraad dat tussen de beide broers is komen staan, gaat op de achtergrond mee.
Esau, die had alleen belangstelling voor wat hij voor ogen had: Als hij honger heeft, wil hij eten, en wel meteen.
Jakob, zagen we toen al, weet meer, ziet meer, vermoedt meer.
Op een bepaalde manier speelt dat voor mijn gevoel in dit verhaal een belangrijke rol.
Hij droomt zich de hemel open.hemelladder
Hij krijgt een droom, maar hij is ook een mens bij wie zoiets kan gebeuren. God spreekt tot mensen, in dromen, in  woorden, in gebeurtenissen, in ontmoetingen, maar je moet er wel voor openstaan om het te kunnen zien, ook al heb je dan je ogen dicht.

De droom van Jakob is vol van beloften.
“Ik zal je overal beschermen, waar je ook heengaat”.
De manier waarop de wakkere Jakob daarop reageert, heeft iets wonderlijks. Hij zegt zoveel als, als God die woorden uit de droom waarmaakt, dan wordt hij mijn God. Alsof hij nog een slag om de arm maakt, alsof hij zelfs een wensenlijstje neerlegt waaraan God moet voldoen voordat hij de zegen van Jakob krijgt: als hij mij terzijde staat, mij beschermt , eten en kleren geeft, veilig terug laat keren, dan… dan zal de Heer mijn God zijn.
Een commentator merkt hierbij op: “In de bijbel heeft niemand zijn geloof op een meer materialistische wijze beleden: de God die mij een leven geeft dat zo gevuld en overvloedig is als ik me maar kan wensen, dát is mijn God. Maar dat is precies de God van Jakob. En zo blijft Hij” (Eugen Drewermann).

Ieder mens droomt zijn eigen dromen.
Maar de vraag vanmorgen is wel, of wij, of ik, dat vermogen om te dromen ergens nog bewaard heb. Of we leven met een open hemel. Of er ergens in ons drukke en gevulde bestaan zoiets als een Jakobsladder staat opgesteld.

Jakob krijgt zijn droom, op een cruciaal moment. Als hij ligt te woelen in zijn slaap. Niet omdat hij geen comfortabel kussen heeft, maar omdat de onzekerheid hem bespringt. Hij is immers gevlucht, van huis en haard verdreven door eigen toedoen, hij staat op het punt onbekend terrein te betreden, onzekere wegen te gaan.
Op dat moment in zijn leven, krijgt hij een zeer positieve droom. Dat is wonderlijk. Een hemeltrap, engelen op en neer, woorden van God die hem rijke zegen beloven.
Geen verwijten over zijn bedrog. Geen beroep op een latent schuldgevoel om de zegen die hij op slinkse wijze heeft ontstolen. Geen verwijzing naar de gerechtvaardigde woede van Esau, of een oproep om het met hem goed te maken. Dat alles speelt pas veel later in het verhaal een rol, maar hier nog niet.
Jakob wordt van God uit bevestigd in zijn bestaan. Hij krijgt de zegen al mee, voor de lange en onzekere reis die hij moet gaan maken, om veel later terug te keren, als een ander mens. Hij krijgt de zegen mee, voor de reis die hij moet maken om zichzelf tegen te komen, om zichzelf te ontdekken. God zegt: “Ik zal je niet alleen laten… tot ik gedaan heb wat ik je heb beloofd”.

Jakob moet een lange reis maken, het lijden zal hem tekenen maar ook louteren. Zoals het leven is.

Ieder mens droomt zijn eigen dromen.
Op een bepaalde manier gezegd en uitgesproken, klinkt het zelfs wat negatief. Als ze van je zeggen dat je een dromer bent. Iemand die niet realistisch is, die zich van alles in het hoofd haalt, die zich rijk rekent met een slecht doordacht plan, die zijn eigen mogelijkheden overschat – een dromer, een fantast.

Zijn wij zulke dromers, als we de droom van God vasthouden, als we blijven geloven in een open hemel, in een God die zich met mensen verbindt, zoals hier met Jakob, als we de droom niet weg verklaren als menselijk wensdenken, maar erkennen en ontvangen als een bericht van de andere kant: Ik zal je niet alleen laten…?

Waar het visioen of de droom ontbreekt, verwildert het volk.
Dat staat met zoveel woorden in de Spreuken (29: 18).
Als mensen niet meer geloven in de droom van een open hemel, van een ladder tussen hemel en aarde, van God en de engelen als zijn boodschappers; en in alles wat met die symboliek wordt uitgedrukt – dan wordt het leven plat en blijft de hemel gesloten. Dan worden we zoals Esau – mensen die niet meer zien dan wat voor ogen is.

Jakob, een mens op wie van alles is aan te merken, de pootjeslichter zoals zijn naam betekent, is de mens met wie God zijn geschiedenis maakt.
De mens Jakob, die bij alles wat hij is, het vermogen heeft om te dromen, om het zicht op de hemel te bewaren.

Jakob slaapt met open ogen…
God geeft het zijn beminden in de slaap. AMEN

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter