Preken

crisisdienst, Genesis 22: 1 – 19

Als een vader zijn zoon bedreigt met een mes, dan bellen we de crisisdienst van de GGZ. En dan hopen we maar dat de hulpverleners snel ter plaatse zijn, om een familiedrama te voorkomen.

Dat het verhaal dat we vandaag overdenken bij de lastige Bijbelverhalen hoort, is zacht uitgedrukt. Het is een bizar verhaal; een wreed verzoek; een onmogelijke opdracht. Dat een vader van God de opdracht krijgt om zijn zoon te offeren, is weerzinwekkend. Een primitief verhaal, uit een oude traditielaag in de Bijbel, waar we tegenwoordig heel anders over denken? Een verhaal dat je vandaag maar het beste aan de kant kunt leggen, waar je niks meer mee kunt en eigenlijk ook niks meer mee hoeft?

Preek in zomerserie Bizarre Bijbelverhalen.

U gaat vandaag geen definitieve antwoorden horen. Dit wonderlijke verhaal bevat, als je er eenmaal induikt, zoveel verschillende aspecten dat we daar onmogelijk in één preek recht aan kunnen doen. Geen definitieve antwoorden, dus ook niet de oplossing dat we dit soort verhalen maar beter kunnen overslaan of er om heen lezen. Dat had u al begrepen. En dat is niet omdat het nu eenmaal in de Bijbel staat, maar omdat dit wonderlijke verhaal misschien toch iets positiefs, iets dieps te zeggen heeft.

In eerste instantie stoot het ons af. Vanzelfsprekend. We denken dan aan hedendaagse fanatici, die bereid zijn om levens te nemen uit naam van hun geloof, of hun versie van dat geloof. Er zijn genoeg voorbeelden van religieus geweld, godsdiensttwisten, godsdienstoorlogen. We weten maar al te goed hoe gevaarlijk blind geloof is, of totale gehoorzaamheid: daar komen brokken van. Geloof maakt meer kapot dan je lief is…

gen22Dat is zo, maar toch is het goed ook te bedenken dat dit verhaal heel lang voor heel veel gelovigen niet die problemen opriep die wij er nu mee hebben.
In de joodse traditie is de binding van Isaak, zoals het daar heet, een belangrijk verhaal om met het onnoemelijke leed uit de eigen geschiedenis om te gaan, de pogroms, de vervolgingen, de Holocaust. Dat gebeurt dan niet door het verhaal klakkeloos te lezen, maar in een kritische dialoog – typisch joods.
In de christelijke traditie is het verhaal een model voor de kruisdood, het offer van Christus. In het nieuwe testament wordt Abraham  daarnaast geprezen om zijn gehoorzaamheid. Door zijn geloof kon Abraham toen hij op de proef werd gesteld Isaak als offer opdragen (Hebr. 11: 17). Volgens de brief aan Jakobus “werd het onze voorvader Abraham als een rechtvaardige daad toegerekend dat hij zijn zoon Isaak op het altaar wilde offeren” (2: 21). Alleen maar lof voor Abraham. Geen spoor van kritiek of voorbehoud of van morele bezwaren.

Waarmee ik maar wil duidelijk maken dat ónze verlegenheid met het verhaal, hoe vanzelfsprekend ons die ook toeschijnt, vooral iets over ons zegt en over onze tijdsgeest. Wij accepteren het niet meer dat een god zulke opdrachten geeft. Onze God is immers de redelijkheid zelve, zoals wij zelf dat zijn, niet waar?

Dat Abraham de opdracht krijgt om zijn zoon te offeren, moet op een misverstand berusten, zeggen we dan, en we haasten ons met een uitleg te komen die wel te verteren is.

Er zijn een paar welwillende uitleggingen:.
– Bijvoorbeeld de uitleg dat dit verhaal is bedoeld als een tegen-verhaal. Een waarschuwing dat kinderoffers in Israël verboden zijn, hoewel ze in omringende landen in die oude tijden wel voorkwamen.
Dat klinkt sympathiek, maar verklaart niet waarom God dan wel de opdracht aan Abraham geeft om zijn zoon Isaak te offeren en hem aan het eind prijst om zijn gehoorzaamheid, om zijn bereidheid zover te gaan. Er staat niet: sorry Abraham, maar ik had deze omweg nodig om jou duidelijk te maken dat de God van Israël geen mensenoffers wil, maar liever dierenoffers. Er staat: nu weet ik dat je ontzag voor God hebt.. je hebt mij je zoon, je enige, niet willen onthouden… (vers 12).
– Er zijn uitleggers die de aandacht vestigen op de allereerste zin: God stelde Abraham op de proef. Dat weet Abraham dan wel niet, maar wij – lezers en hoorders – wel. Vanaf het begin is het duidelijk dat het doorgestoken kaart is. Het is een test. Maar God zorgt er wel voor dat het niet uit de hand loopt.
Tja, of het daar zoveel beter van wordt? Want wat is dat voor God die zo’n test bedenkt? Kent hij zijn knecht Abraham zo slecht?
– Een andere verzachtende uitleg benadrukt dat er in het verhaal twee verschillende woorden voor God worden gebruikt. De God die de opdracht geeft is Elohim, de godsnaam die verwant is aan de godsnaam van de omringende volken. De stem die Abraham op het nippertje roept om het offer niet te volbrengen, is die van een engel van de Heer, JHWH. De naam van de verbondsgod, de God van Israël. God de Heer wil geen mensenoffers.
Ook die uitleg is sympathiek, maar overtuigt evenmin. Want dezelfde engel van de Heer, spreekt aan het einde goedkeurend over Abrahams bereidheid om zijn zoon te offeren – daarom zal ik je rijkelijk zegenen (vers 17).

Het verhaal is weerbarstiger.
Al die welwillende uitleggingen stappen te makkelijk over de lastige vragen heen. Ze verontschuldigen God, misschien iets te snel? Het verhaal is weerbarstiger, maar dat hoeft niet per se een bezwaar te zijn. Het heeft iets verontrustends als de Bijbelverhalen ons niet meer zouden verontrusten.

Maar hoe dan wel?
Zonder te claimen dat dit de definitieve uitleg is, is er een benadering die meer aanspreekt en die dichtbij de tekst van het verhaal blijft.
Drie maal klinkt uit Abraham’s mond: Hier ben ik. Het is de geladen reactie, van de profeet die bereid is om het woord van God te horen; van Mozes, van de godsknecht, hier dus Abraham, die open staat voor wat God vraagt – wat dat ook is.
Abraham is bereid, Hier ben ik… Als reactie op het woord van God, van de engel, en op de vraag van zijn zoon, Hier ben ik…
Abraham is bereid. Zou dat kunnen zijn, omdat hij ondanks alles vertrouwt op God – hoe vreemd en onwaarschijnlijk de opdracht die hij krijgt hem ook voor komt?

We horen overigens niets over wat Abraham er zelf van vindt.
Het verhaal is zoals alle Bijbelverhalen uiterst summier, kaal van taal, en daardoor tegelijk tot het uiterste geladen.
Wij gaan meteen psychologiseren. Dat is niet verkeerd. Dat is misschien wel de bedoeling. Maar de Bijbel zelf, nogmaals, doet dat niet. Laat dat open… Dat maakt die verhalen ook zo aansprekend, en tegelijk blijft het daardoor telkens weer vragen oproepen.

Abraham is bereid. Hij leeft van vertrouwen. Ooit vertrouwde hij op de stem die hem wegriep uit de zekerheden van zijn ouderlijk huis, van de vertrouwdheid van het gevestigde bestaan. En sindsdien is hij een zwervende Arameëer, een pelgrim op de levensweg.
Hij leeft van vertrouwen. Hem is ooit een zoon beloofd, nakomelingschap, en een land waar zijn volk zich zou kunnen vestigen. Lang hebben Sara en hij op die zoon moeten wachten. Die werd geboren toen het eigenlijk niet meer kon. Maar het vertrouwen op Gods belofte hebben ze altijd vastgehouden. Dat vertrouwen, hoe onredelijk en onlogisch ook, houdt hem nu op de been. Hij zadelt zijn ezel, verzamelt het hout en gaat op pad, naar de berg die de Heer hem zal wijzen. God zelf zal er in voorzien.

Abraham leeft met een totale overgave. Hij vertrouwt op het woord van God.
Aan het begin, toen hij geroepen werd, betekent dat dat hij zijn verleden moet loslaten.
In dit verhaal betekent het dat hij bereid is zijn toekomst – de zoon van de belofte – los te laten. En als je bereid bent alles los te laten, dan zul je ervaren dat God je uiteindelijk draagt. Geloven is, je uiteindelijk overgeven, jezelf loslaten, in vertrouwen op Gods belofte. Blind vertrouwen??
———
Ik wil eindigen met Sara. De vrouw van Abraham, de moeder van Isaak.
Zij komt onbegrijpelijk genoeg in het hele verhaal niet voor. Hierna wordt verteld dat ze sterft. De rabbijnen leggen uit: van schrik. Sara schrikt zich dood als ze het verhaal hoort van de binding van Isaak.

Guus Kuijer geeft haar een stem, in zijn Bijbel voor ongelovigen. (Deel 1, p. 177).
Als tegenwicht lees ik een fragment voor, als Abraham terugkeert en aan Sara vertelt wat er is gebeurd:

“‘God zei dit, God zei dat,’ brieste Sara. ‘Wat ben jij nou voor een lamzak? Daar had God bij mij niet mee aan hoeven komen hoor, wat dacht je, schijtlaars dat je d’r bent? Welke zot gehoorzaamt nou aan zo’n misdadig bevel? Ben je krankzinnig geworden?’
En zo ging ze maar door. De scheldwoorden buitelden over elkaar heen als stenen in een steenlawine. Abraham liet ze op zijn hoofd neerkomen en verdedigde zich niet.
‘Ben jij de man die tegen God durfde zeggen: “Maar dat kunt u toch niet doen”,  toen je Sodom wilde redden? Hoe komt het dat je op je oude dag een laffe kwezel bent geworden? Hè? Leg me dat eens uit? Was je echt bereid je eigen zoon voor God te slachten? Zeg me, was je daartoe bereid?’
Abraham knikte …. terwijl de tranen hem over de wangen biggelden.”

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter