Boeken

Cees den Heyer, Jezus, een mensenleven

Cees den Heyer is zijn leven lang gefascineerd geweest door de figuur van Jezus. Als hoogleraar Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit van de toenmalige Gereformeerde Kerken (inmiddels opgegaan in de Protestantse Kerk in Nederland), heeft hij zich daar op een wetenschappelijke manier mee bezig gehouden. Hij specialiseerde zich in de bestudering van de Joodse geloofswereld in Jezus’ tijd en schreef een standaardwerk over de messiaanse verwachting in het Jodendom.
In het vuistdikke boek Jezus, een mensenleven, maakt hij – inmiddels 75 jaar – de balans op van deze levenslange zoektocht naar de mens Jezus. Want dat is één van de belangrijkste uitkomsten van zijn onderzoek: we moeten volgens hem de kerkelijke dogma’s over Jezus als Gods zoon afbreken om toegang te krijgen tot de fascinerende persoonlijkheid van de mens Jezus.
Den Heyer heeft op zijn eigen manier hetzelfde parcours doorlopen als de Nieuwtestamentische wetenschap van de afgelopen twee eeuwen en meer in het bijzonder de vrijzinnige theologie, samen te vatten als: het demasqué van de dogmatische Christus.

Hij gaat er nog eens goed voor zitten om dat verhaal te vertellen. Hoe het begon met een charismatische figuur rond het jaar nul en hoe zijn levensverhaal werd doorverteld in gemeenschappen die na zijn gewelddadige kruisdood zijn ontstaan. Hoe in die kringen de evangeliën zijn geschreven, als getuigenissen van zijn leven en sterven en als testament van zijn woorden en daden. Den Heyer schenkt uitgebreid aandacht aan de toenmalige religieuze en politieke context. De eigen kleur van de vier evangeliën wordt toegelicht en uiteraard komt Paulus aan de orde, die als geen ander de beeldvorming van Jezus als de Gekruisigde heeft bepaald.
Den Heyer schetst hoe christelijke gemeenschappen ontstaan in diverse regio’s van het Midden-Oosten en hoe ze de verschillende kleur aannemen van hun omgeving. Het vroege christendom bestaat uit een grote verscheidenheid aan opvattingen. Daar komt enige verandering in, als het christendom in het begin van de vierde eeuw de staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk wordt – dat overigens dan al in verval is. Onder druk van de keizers worden de christologische dogma’s vastgesteld, want de eenheid in de (staats)kerk bevordert de eenheid in het rijk. Het eerste is net zo goed een illusie gebleken als het tweede. Toch hebben de leerstellingen van Nicea, Constantinopel en Chalcedon, de plaatsen waar de belangrijkste kerkvergaderingen plaatsvonden, een universele betekenis in het christendom gekregen.
Het is fascinerend om de geschiedenis van het ontstaan van deze dogma’s terug te lezen. Den Heyer heeft het vermogen van een goede docent om het op een heldere manier uit te leggen. Deze gedeelten horen wat mij betreft tot de boeiendste van zijn boek.
Dat geldt ook voor de hoofdstukken die hij wijdt aan de grote omwenteling in de nieuwtestamentische wetenschap vanaf de achttiende eeuw. Hij is hier op zijn eigen vakgebied en dat is te merken. De historisch-kritische methode wordt ontwikkeld. Er komt ruimte voor een niet-dogmatische bestudering van de Bijbel en meer in het bijzonder van de figuur van Jezus. Dat gaat niet zonder slag of stoot, en het is een debat dat in sommige delen van kerk en theologie nog steeds gevoerd wordt. Den Heyer laat in een veelbetekenend tussenzinnetje doorschemeren (‘ik spreek uit ervaring’ – p. 415) dat hij weet wat het is als de gewetensvolle exegeet in conflict komt met de dogmatici wanneer het resultaat van zijn wetenschappelijk onderzoek de laatsten onwelgevallig is. Het is de herinnering aan de onverkwikkelijke manier waarop Den Heyer vervroegd zijn professoraat op moest geven, toen hij twintig jaar geleden in opspraak kwam vanwege een boekje waarin hij aantoonde dat de klassiek gereformeerde verzoeningsleer exegetisch een wankele basis heeft. Een voorbeeld van karaktermoord waartoe gereformeerde ‘verontrusten’ in staat zijn (waren?). De pijn daarover, nog zo nadrukkelijk aanwezig in zijn theologisch zelfportret Ruim geloven (uit 2000), lijkt inmiddels weggezakt. In ieder geval komt hij er in dit boek niet meer op terug.

Tussen de hoofdstukken over het christologische dogma van de eerste eeuwen en die over de moderne ontwikkelingen van de laatste eeuwen, beschrijft Den Heyer uitvoerig de (kerk)geschiedenis van de Middeleeuwen. De rode draad van zijn boek, dat een geschiedenis van de betekenis van Jezus wil zijn, raakt dan wel eens uit het zicht. So wie so verliest het boek zich regelmatig in wijdlopigheid en niet altijd ter zake doende passages die zonder bezwaar gemist hadden kunnen worden, hoe boeiend ze ook zijn. Als Den Heyer onderaan p. 397 schrijft dat hij zich heeft “laten inspireren door het bekende gezegde – in der Beschränkung zeigt sich der Meister” komt dat onbedoeld komisch over. De huiselijke toon waarop de lezer regelmatig rechtstreeks wordt toegesproken, is een eigenaardigheid van de schrijver die hier en daar een beetje begint te jeuken. Iets meer redactie had het boek dus goed gedaan.

Het zijn een paar kritische opmerkingen in de marge. De overheersende indruk na lezing van dit machtige boek is vooral positief. Den Heyer heeft de gave om in begrijpelijke taal ingewikkelde kwesties uit te leggen en in verband met elkaar te brengen. Aan alles wordt duidelijk dat hij zich baseert op gedegen onderzoek van jaren en op een uitgebreide kennis van de vakliteratuur. Dat wordt in de tekst verantwoord, helaas niet altijd met de vindplaats vermeld. De noten in de tekst verwijzen uitsluitend naar Bijbelverzen en dat doet opeens weer heel gereformeerd aan.

Aan het einde van zijn zoektocht is de fascinatie voor de mens Jezus gebleven, misschien zelfs wel versterkt. De paradox in de nieuwtestamentische wetenschap is en blijft, dat we proberen een beeld van Jezus te reconstrueren op basis van gegevens uit de synoptische evangeliën die niet bedoeld zijn als historische studies. Hoe het kan dat het verhaal van een gekruisigde Jood mensen in de ban heeft gekregen en aan de wieg staat van een wereldwijde religie die tot op de dag van vandaag bestaat (en groeit!), blijft een raadsel dat ook Den Heyer niet geheel kan ontrafelen. Of is het dan toch een godswonder?

Dr. Cees den Heyer, Jezus, een mensenleven. Een geschiedenis van een mens onder de mensen, Van Warven Kampen 2017, 606 pag., isbn 9789492421395, € 32,50

Vorig bericht Volgend bericht

3 Reacties

  • Reply Jacob 13/01/2018 at 14:57

    Het is een zeer leesbaar boek en prettig geschreven. 600 pagina’s – daar kun je wel even mee vooruit. Maar toch onbegrijpelijk dat er geen verwijzingen zijn naar andere literatuur. Het zal wel een bewuste keuze zijn geweest van de schrijver…
    Toch vraag ik mij of in hoeverre Den Heyer zelf feiten en fictie met elkaar verward. Bijvoorbeeld bij Jakobus als de broer van Jezus. p72 p73. Hoe kun je met bijbelteksten iets aannemelijk maken als je er tegelijkertijd van uitgaat dat die teksten historisch niet betrouwbaar zijn? Dat wringt nogal eens…

  • Reply Jacob 13/01/2018 at 15:00

    Marcus 3 vs 31 wordt op p73 als nuchter feit neergezet.

  • Reply j.hoekstra 24/04/2018 at 09:49

    geachte bert altena,aardig slot van aardige bespreking;ik volg cees den heyer al jarenlang en zijn laatste boek is ongetwijfeld zeer informatief;diametraal tegenovergesteld kan men vanuit een strikt reformatorische visie tot een hoopvoller perspectief komen;als u mijn geschrift ‘Christos Kurios ‘ eens zou willen inzien,dan stuur ik u een exemplaar toe;met vriendelijke groet,jan hoekstra/de gouden leeuw 9/1531 pn wormer

  • Laat een reactie achter