Preken

Broeder zon, zomerviering

Deze week las ik een anekdote over de beroemde Chinese wijsgeer Confucius.
Confucius verzuchtte eens: ‘Ik denk erover om maar niet meer te spreken’
Waarop zijn leerlingen verschrikt reageerden: ‘Maar als u niet spreekt, wat kunnen wij dan nog aan wijsheid doorgeven?”
Confucius antwoordde: “Spreekt de hemel soms? En kijk eens hoe goed de natuur werkt. Zegt de hemel ooit wat? En toch hebben we steeds de vier seizoenen en ontstaan er honderden dingen”. (geciteerd bij Karen Armstrong, De verloren kunst van de heilige geschriften, p. 138).

Meditaties voor de Zomer in de cyclus van seizoensvieringen in Vries
(afbeelding: Aquarel van Uli Viereck)

Met deze zomerviering maken wij de cyclus van de seizoensvieringen rond. We zijn begonnen in de herfst, daarna winter en lente en nu dan de zomer.
Ieder seizoen heeft zijn eigen kleur en klank, en toon!
Maar ik zal vermoed ik niet de enige zijn, die de zomer in die cyclus van vier toch wel het hoogtepunt vindt. In de herfst keert alles zich naar binnen; in de winter wordt het stil, in de lente begint het aarzelend maar pas in de zomer wordt het uitbundig en royaal. De zomer is het seizoen van de overvloed op de velden, alles staat vol in blad, het leeft, het klopt, zingt en dartelt en de zon staat op zijn hoogste punt aan de hemel. De zomer is als je in de kracht van je leven bent, stralend, voluit levend en wel.

Natuurlijk is er ook een andere kant. Er is altijd een andere kant.
De zon die je gezicht aangenaam kan koesteren – het is een weldaad voor de ogen om de zon te zien, staat er bij de Prediker (11 vers 7) – diezelfde zon kan ons ook verschroeien; het land verdrogen, de oogst verbranden. Zeker in de hondsdagen, eind juli, het hoogtepunt van de zomer.
In Nederlands-Indië werd de zon ‘de koperen ploert’ genoemd. In zuidelijke landen is de zon iets waar je je voor hoeden moet; de siësta is niet voor niets uitgevonden. Misschien dat wij bij de klimaatverandering daar ook wel naar toe moeten. Op het heetst van de dag en in de volle zon, dat is niet gezond. Teveel van het goede.

Alles draait om de zon. Tot Copernicus dachten we dat alles om ons, om de aarde, draaide, maar inmiddels weten we beter.
Maar ook letterlijk geldt dat alle leven op aarde, ons klimaat, alleen maar kan bestaan dankzij de zon en het zonnelicht en de zonnewarmte. En natuurlijk door het water en door de lucht (zuurstof) en door de vruchtbare aarde. Als je je daar in gaat verdiepen, dan is het wonderbaarlijk hoe alles op elkaar afgestemd is en samenwerkt om het leven mogelijk te maken. Zou de aarde maar een fractie verder van de zon afstaan, dan zou het hier ijzig koud zijn; zou de aarde maar een fractie dichter bij de zon staan, dan zouden we levend verbranden.
Dat gegeven is aanleiding voor allerlei theorieën en discussies, over schepping of evolutie, over een intelligent ontwerp of juist een schitterend ongeluk (toeval), maar dat laten we nu maar rusten. Ik zou zeggen, hoe meer je je erin verdiept, hoe groter de verwondering, om het leven, dat wij leven, dat wij hier zijn, maar ook hoe groter het besef, dat het leven een kwetsbaar samenspel is en dat het aan ons is om dat te koesteren en te behoeden, ook voor komende generaties.

Terug naar de zomer en naar onze seizoenen.
De zon staat voor het licht en de warmte, het element van het vuur. De andere elementen kwamen ook al even voorbij. Vuur, water, lucht en aarde.
Ze komen straks terug in het Zonnelied van Franciscus dat ook in uw boekje staat afgedrukt.

Het vuur van de zon, is het beeld dat ook in de bijbel en in het geloof een eigen rol speelt. Juist in de zomertijd, die liturgisch wordt beheerst door het Pinksterfeest dat we een maand geleden hebben gevierd.
Met Pinksteren manifesteert de goddelijke inspiratie zich in tongen van vuur en in een wervelende wind. Het rood kleurt de wangen van de kerk.

Ik vond de volgende gebedstekst:
Gezegend om het ochtendrood,
rood als het
liefdesvuur
dat leven
in beweging zet.

Ik bid U
laat het vuur van uw Geest
het kwaad in mij verteren
Leer mij in vuur en vlam staan
voor gerechtigheid en heil
en recht te doen
aan heel uw schepping.

II.
Franciscus van Assisi is één van de meest aansprekende heiligen uit de christelijke traditie. Zijn verhaal zal in grote lijnen bekend zijn.
Franciscus leefde rond het jaar 1200, groeide op in welstand en weelde, als kind van rijke ouders. Als jonge man keerde hij zich van dat leven af, ging in armoede leven, wijdde zich aan het gebed en aan de dienst aan de armen en melaatsen.
Zo stichtte hij de Franciscaanse beweging, één van de belangrijkste kloosterorden tot op de dag van vandaag. De Franciscanen leven in eenvoud en armoede en zijn bijzonder begaan met de schepping Van Franciscus zelf vertelt de legende dat hij preekte voor de dieren.
Vandaar dat zijn feestdag – 4 oktober – werelddierendag is geworden.

Een van de bekendste teksten van Franciscus is het Zonnelied.
Franciscus schreef het niet in het Latijn maar in het dialect van zijn streek Umbrië. Het is het prille begin van de emancipatie van de landstalen ten opzichte van het kerklatijn; tevens de tijd waarin de aandacht voor de individuele vroomheid begint te ontstaan, verre voorlopers van de reformatie – maar dat terzijde.

In het Latijn is het Laudato Si – achtmaal herhaald. Het zonnelied is een loflied op God, de Allerhoogste en Almachtige, zoals in de eerste regel staat. Altissimo en Omnipotente, een toespeling op de alpha en de omega, het begin en het einde.
Zo zitten er allerlei verborgen symbolische aspecten in dit lied.
Het bestaat uit 33 strofen – evenveel als de jaren van Christus leven
Het begint na de inleiding, met het bezingen van de hemel: broeder zon, zuster maan en de sterren. Deze drie, want drie is het getal van de hemel.

Daarna wordt de aardse werkelijkheid bezongen, in de vier elementen: broeder wind, zuster water, broeder vuur en zuster aarde. Vier is het getal dat bij de aarde hoort, de vier windstreken, de vier seizoenen.

De afwisseling van broeder en zuster, is ook van betekenis. Het weerspiegelt het over en weer, het wederzijdse van het leven, het vrouwelijke en het mannelijke, het ritme en de regelmaat, adem in en uit, stem en tegenstem, actief en passief, en zo kun je doorgaan. Want twee is het getal van de dynamiek, van dood en leven.
Er is een tijd om te baren en een tijd om te sterven
een tijd om te planten en een tijd om te rooien.

In het zonnelied staat dat allemaal vermeld tussen de zon die ons bestraalt en de aarde die als respons allerlei gewassen, kleurige bloemen en kruiden voortbrengt.

Tenslotte worden in de laatste strofen de menselijke aspecten belicht. De mens wordt niet bezongen in zijn kracht of schoonheid, zoals de andere schepselen, maar in de heerschappij over zichzelf, m.a.w. in zijn vrije wil om te kiezen voor de dood of het leven, lees ik in een toelichting op het Zonnelied.
Franciscus schreef dit lied in de laatste periode van zijn leven, toen hij ziek was en de dood naderde. Ik citeer: De zwaar zieke Franciscus noemt ook de dood zijn zuster, omdat hij in haar de poort ziet naar het eeuwig leven, naar de hemel. Zo komt hij terug waar hij begonnen is en maakt hij de cirkel rond (bron: www.clarissen.be)

Over het Zonnelied is nog veel meer te zeggen, maar ook dat laten we nu rusten. Ik wil besluiten met het volgende.
In alle vier seizoensvieringen hebben we, welbewust, steeds de tekst van de Prediker gelezen, Alles heeft zijn tijd
Voor alles wat gebeurt is er een uur, een tijd voor alles wat er is onder de hemel

Ik eindig met woorden die hier kort achteraan bij de Prediker staan opgetekend:

God heeft alles wat er is de goede plaats in de tijd gegeven, en ook heeft hij de mens inzicht in de tijd gegeven. Toch kan de mens het werk van God niet van begin tot eind doorgronden.
Ik heb vastgesteld dat voor de mens niets goeds is weggelegd, behalve vrolijk te zijn en van het leven te genieten. Want wanneer hij zich aan eten en drinken te goed doet en geniet van al het goede dat hij moeizaam heeft verworven, is dat een geschenk van God (Pred. 3: 11 – 13).

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter