Boeken

Bert Keizer, Voltooid

In de reeks Nieuw Licht, wordt een klassieke filosofische tekst van hedendaags commentaar voorzien. David Hume, de Schotse Verlichtingsfilosoof die leefde van 1711 tot 1776, pleitte al in de achttiende eeuw voor het recht op een zelfgekozen dood in zijn essay On Suicide. Bert Keizer kennen we als (gepensioneerd) verpleeghuisarts, schrijver en columnist (o.a. in Trouw) en als enthousiaste medewerker van de Levenseindekliniek. Hij heeft niet alleen medicijnen gestudeerd, maar ook een paar jaar filosofie. De logische kandidaat om zijn licht over deze tekst te laten schijnen.

Hume schreef On Suicide in 1755 maar hij achtte het toch raadzaam om het pas na zijn dood te laten publiceren. Want een pleidooi voor een zelfgekozen dood was onverteerbaar in een maatschappij die door de godsdienst werd bepaald. God is zoals bekend tegen zelfmoord. Vandaar dat het grootste deel van het essay van Hume gewijd is aan het ontzenuwen van het geloof in God en/of Eeuwig Leven. Inmiddels hebben wij ons van dit soort achterhaalde denkbeelden bevrijd, zodat er geen beletsels meer zijn om vrij na te denken over zelfmoord en over de moderne variant daarvan: het recht op euthanasie bij voltooid leven.

Als je die twee in een adem noemt, begint het meteen te wringen. Zelfmoord is immers een hoogst individuele keuze waarbij de nabestaanden (meestal) ontredderd achterblijven. De zelfgekozen dood bij voltooid leven is ook een individuele keuze, maar hier wordt niet alleen de samenleving geacht enthousiast mee te werken (door wetgeving en medische begeleiding), tegelijk wordt van de achterblijvers verwacht dat ze de ‘moedige keuze’ met instemming begroeten. Vandaar dat Keizer een scherp onderscheid wil aanbrengen tussen de zelfmoord (doffe ellende) en de zelfdoding, al dan niet bij voltooid leven, wat in zijn beleving een respectabele keuzemogelijkheid is.

Dat lijkt handig gevonden, maar het helpt niet echt, want via de achterdeur komt de ‘doffe ellende’ vrolijk weer binnenwandelen. Bert Keizer staat er met zijn neus bovenop. Hij is vol overtuiging actief bij de Levenseindekliniek. Per jaar verleent hij twaalf tot zestien keer euthanasie en hij begint er naar eigen zeggen steeds meer handigheid in te krijgen (p. 73). Vergeleken met het front waartegen Hume het postuum  moest opnemen, is er nu “nieuwe ruimte (…) voor kalmte en nuchterheid” ontstaan omdat “wij uit het leven mogen stappen op een manier die binnen de menselijke kring als draaglijk wordt ervaren” (p. 82). Maar tegelijk is de ‘doffe ellende’ meeverhuisd: “Want je meent een hoop problemen van je af te gooien en meteen blijkt er ruimte te zijn ontstaan voor nieuwe. Het leek zo eenvoudig en overtuigend om te stellen dat mensen die binnenkort toch doodgaan, maar die vreselijk lijden, gewoon om de dood mogen vragen. En kijk eens in wat voor problemen we terecht zijn gekomen” (p. 83).

Het lijkt mij een rake constatering aan het eind van zijn kleine boekje. Opmerkelijk is dat dit niet tot een herbezinning op zijn eigen levenseindepraktijken leidt. De voorbeelden die hij uit zijn eigen ervaring geeft, bieden daar genoeg aanleiding toe.
Keizer beschrijft hoe na de Euthanasiewet (2002), waarin euthanasie op weloverwogen verzoek en bij uitzichtloos lijden wordt geregeld, het front steeds is opgeschoven. Uitzichtloos lijden blijkt een rekbaar begrip te zijn. Niet alleen terminale patiënten, ook chronisch zieken en psychiatrische patiënten werden er onder geschaard. Daarna kwam de categorie dementerenden in beeld. Vroeg dement, dan valt er nog wat te praten, maar bij gevorderde dementie? Wat te doen als er een wilsverklaring ligt, maar waar de betrokkene dan geen weet meer van heeft. Toch maar de spuit erin, ook bij tegenstribbelende patiënten? Vervolgens kwam er het burgerinitiatief om ook euthanasie bij voltooid leven mogelijk te maken. Een wetsontwerp wilde daaraan tegemoet komen, vanaf een leeftijd van 75 jaar, maar waarom eigenlijk die leeftijdsgrens? De logische uitkomst lijkt te zijn: euthanasiepillen vrij verkrijgbaar bij de buurtsuper (pp. 39 – 41).
Keizer schrijft het allemaal met de hem kenmerkende ironie op. Maar moet die ironie ook niet een heimelijk ongemak verbergen? Waar komt die vreemde cultus van de gevierde dood toch vandaan en waarom doet een nuchtere arts als Keizer daar ondanks al zijn voorbehouden aan mee?

Nog niet zo lang geleden schreef Bert Keizer een column in Trouw ‘Zinloze toetsing’ (23 februari). Voor het eerst in vijftien jaar werd hij bij de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie uitgenodigd en dat vond hij maar een ‘absurde ontmoeting’, maar waarom eigenlijk? Omdat er zulke rare vragen werden gesteld? Dat lijkt er niet op.
Er klinkt een vreemd soort dedain in zijn column door. Wat is er mis om bij zulke precaire zaken als euthanasie extern getoetst te worden? Het is juist opmerkelijk dat dit in die vijftien jaar daarvoor niet eerder is gebeurd.

In zijn boekje beschrijft hij enkele situaties uit zijn praktijk. Eén daarvan – een ‘reguliere’ euthanasie, volgens Keizer – begint als volgt:
“Meneer B. is zevenenzestig, van huis uit jurist, maar al een paar jaar met pensioen. Zijn vrouw doet open. Ze is meteen in tranen. ‘Ik weet waar u voor komt. Ik wil liever niet bij het gesprek zijn.’ Ik praat met meneer in zijn werkkamer…” (p. 46). Na enkele plichtplegingen over en weer is het gesprek geklaard en de zaak geregeld. Zoals dat gaat tussen twee gestudeerde heren, in de werkkamer van meneer. Conclusie van Keizer: “Dit is dus een makkelijke, als u mij de uitdrukking wilt vergeven. Het is ondraaglijk, uitzichtloos, er zijn geen behandelopties meer, en meneer is goed bij zijn hoofd” (47).

Ik heb, sinds ik dat las, steeds aan die mevrouw moeten denken.

Voltooid leven? Ik ben er nog lang niet klaar mee.

Bert Keizer, Voltooid. Nieuw licht op een zelfgekozen dood, Ambo Anthos Amsterdam 2018, 93 pag., isbn 9789026341137, €10,00

 

Vorig bericht Volgend bericht

1 reactie(s)

  • Reply Rosalie 12/04/2018 at 11:23

    Wat een rake een na laatste zin! Daar zit hem nu net het pijnpunt: de naasten.

  • Laat een reactie achter