Preken

Beleidsplan?, Mat. 5: 1 – 12

Deze week hadden we kerkenraadsvergadering. Er was heel wat te bespreken, het werd daarom ook later dan we gewend zijn. Maar met één punt waren we heel snel klaar. De kerkenraad heeft het nieuwe beleidsplan voor de komende vier jaar vastgesteld.
U zat wellicht in spanning daarover, dus ik denk, ik zeg het maar even, dan kunt u opgelucht ademhalen…

Het is niet moeilijk om een beetje badinerend te doen, over onze beleidsplannen of onze vergadercultuur. Dat is niet mijn bedoeling. Vergaderen is nodig en het is goed om van tijd tot tijd met elkaar na te denken over het beleid.
Maar ik begin er vandaag mijn preek mee, vanwege de overeenkomst met wat we gelezen en gehoord hebben uit het Evangelie. De zaligsprekingen van Jezus, waarmee hij zoals bekend de zogenaamde Bergrede begint. Gelukkig wie nederig van hart zijn… Gelukkig de treurenden … Gelukkig de zachtmoedigen … enzovoort. En ik vraag me af: kun je die zaligsprekingen beschouwen als het ‘beleidsplan’ van Jezus? Of misschien wel de hele Bergrede? In onze beleidsplannen schrijven we op wat we belangrijk vinden en waar we aan willen werken. Is dat vergelijkbaar met hoe Jezus hier, aan het begin van zijn Bergrede, zijn Troonrede?, de zaligsprekingen uitspreekt? Het is toch alsof hij hier de piketpaaltjes uitslaat die het bestek van zijn Koninkrijk bepalen.

De meesten van ons zijn bekend met dit gedeelte, dus horen we er niet meer van op. Maar het is toch eigenlijk heel wonderlijk om zo je toespraak te beginnen? Jezus begint met de mensen geluk te wensen, die niet alleen toen maar altijd al in de wereld achteraan komen of onderliggen. De mensen die nederig van hart zijn (of arm van geest), de mensen met verdriet, met gebrek, die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, de stillen in den lande, de zachtmoedigen en de barmhartigen en de vredestichters – niet de lawaaischoppers, niet de mensen die vol zijn van zichzelf, met macht en aanzien … Gefeliciteerd, zegt hij met zoveel woorden. Nou, je bent mooi jarig zouden wij zeggen, als je arm bent, of behoeftig, of vol verdriet. Maar voor Jezus is dat dus precies andersom. Want voor zulke mensen is het koninkrijk van de hemel (vers 3 en vers 10). Jezus’ beleid gooit de boel op zijn kop.

Jezus spreekt geen beleidstaal, maar hier worden wel de lijnen uitgezet waarlangs hij zich in het evangelie beweegt. Hij is gekomen met een ander verhaal, het goede nieuws van het koninkrijk (4: 23), dat mensen geneest, dat de verlorene opzoekt, dat de verdwaalde thuisbrengt.
Natuurlijk, het goede nieuws is er voor iedereen. Maar het begint altijd bij de mensen die er het meest nood aan hebben, die er ook het meest voor open staan. Zo werkt God in de wereld. Van het kleine naar het grote. Zoals Kerst begint in een schamele stal en met eenvoudige herders, zo begint Jezus’ onderricht met de eenvoudigen van hoofd, hart en handen, met de verstoten paria’s van de maatschappij. Kun je daar beleid op maken?

Het evangelie zoals Matteüs het componeert, lijkt daar op te hinten. Een paar opmerkingen daarover, die misschien kunnen verhelderen. Ieder evangelist heeft zijn eigen benadering. Matteüs is degene die er van houdt om wat hij over het leven en werk van Jezus wil vertellen, te clusteren. De Bergrede is zo’n cluster, het is ook de eerste van vijf grote redevoeringen, die min of meer op dezelfde manier worden ingeluid en afgesloten.
Dat het er vijf zijn, is niet toevallig. Niets in de Bijbel is zomaar. De vijf redevoeringen die het evangelie structureren verwijzen wellicht naar de vijf boeken van de Thora, het onderricht van Mozes. Dat is niet vergezocht, als je weet dat Matteüs Jezus portretteert met de figuur van Mozes op de achtergrond. In het evangelie van Matteüs moet het kind Jezus met zijn ouders uitwijken naar Egypte – op de vlucht voor Herodes – zodat het daarna uit Egypte kan wegtrekken naar Israël; Jezus geeft zijn onderricht hier op de berg, zoals Mozes van de berg afdaalde met de Tien Woorden van de Heer zelf op stenen tafelen gegrift, de tien woorden die straks in dezelfde Bergrede door Jezus op zijn eigen manier worden uitgelegd.
Dat zijn allemaal subtiele verwijzingen, die het evangelie achtergrond en diepgang geven. Jezus als de nieuwe Mozes, met een nieuwe wet – niet om Wet en Profeten op te heffen, Mat. 5: 17, maar om ze tot vervulling te brengen.

Als je weet hoezeer het evangelie is geworteld in de Joodse bijbel, dan gaat het des te meer spreken. Dat geldt ook voor het gegeven dat de Bergrede begint met de Zaligsprekingen.
Ik leerde ooit dat je dat kunt vergelijken met het begin van de Tien Geboden. Voordat de geboden klinken, heet het immers: Ik ben de Heer, jullie God, die jullie uit Egypte, uit het diensthuis hebt geleid… Met andere woorden, eerst word je herinnerd aan de bevrijding, dat gaat voorop, daarna volgen de geboden, die dus niet anders bedoeld zijn dan als oproep om bij die bevrijding te blijven. Laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen (Paulus in de Galatenbrief). Voorop gaat Gods bevrijding, voor het volk in slavernij, voor de armen van geest, de nederigen van hart, de verschoppelingen van deze aarde. Voorop gaat de bevrijding, daaruit volgt het beleid…
Precies zoals bij de maaltijd die we straks vieren, het sacrament, het teken van Gods liefde en genade. Voorop gaat de nodiging, zonder voorwaarden, zonder beletsel, zonder voorbehoud, en als je daar gehoor aan geeft, volgen de consequenties, dan leren we hetzelfde te doen met de ander, met de medemens, met al het levende dat ons omringt en dat ons altijd weer gegeven is… Eerst de gave, dan de opgave.

Nog een laatste opmerking, in verband met het thema van deze zondag, over één van de zaligsprekingen: gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen het land beërven. Een zin die je beter begrijpt als je de oudtestamentische achtergrond kent. Het is een zin die refereert aan verschillende psalmteksten (37: 11; 76: 10 SV), waarin wordt beloofd dat het land toevalt aan de zachtmoedigen, aan de rechtvaardigen. Het land, dat is niet de staat Israël, nee, dat is het beloofde land, dat zich welwillend toont als er gerechtigheid wordt gedaan en vrede wordt gesticht. Als het land met zorg wordt bewerkt en bewoond, als gemeenschappelijk goed, als goede gave voor het geheel, dan zul je leven in overvloed en met zegen, wordt het volk door Mozes aangezegd (Deut. 30).
En de zachtmoedigen, dat zijn niet de mensen die het allemaal over zich heen laten komen – valse gelatenheid – maar degenen die zonder ophef, zonder opgeblazenheid, zich eenvoudig voegen naar wat de Heer van ons vraagt, naar wat Thora leert.

Het is dus weer niet toevallig dat in dit evangelie dit woord ‘zachtmoedig’ nog twee keer voorkomt en beide keren in verband met Jezus zelf, bij de intocht aan het einde: je koning is in aantocht, hij is zachtmoedig en rijdt op een ezelin; en aan het slot van een andere redevoering, als hij zijn leerlingen de wereld in stuurt om het evangelie van het koninkrijk te verspreiden, dan staat er:
“Kom naar mij, jullie die vermoeid en belast zijn, en ik zal jullie rust geven. Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart” (11: 29).

Het is de Heer die ons roept, die ons gelukkig prijst als wij zo zijn als Hij zelf, de minste der mensen. Het is de Heer zelf, die ons nodigt aan zijn tafel, die ons vraagt in zijn dienst, in de dienst van het koninkrijk.
Zullen we daar ons beleid op maken?

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter