Preken

babyshower (Lucas 1, 39-56)

Sinterklaas had vorige week zijn hielen nog niet gelicht, of de mensen renden ’s zondags allemaal naar het tuincentrum om een kerstboom te kopen. De winkelier was aangenaam verrast en liet in de krant optekenen: “De mensen hebben er dit jaar echt zin in”.
Je kunt het je voorstellen. Het is ook zo’n naar jaar geweest, met die aanslagen in Parijs onlangs en aan het begin van het jaar. De terreurdreiging in Brussel. En al eerder met al die onrust over vluchtelingen in Europa en in ons eigen land, in Oranje, in Steenbergen, in Tynaarlo. Geen wonder dat we met elkaar zin hebben, in een onbekommerde kerstsfeer, in gezelligheid zonder gedoe, in… nou ja, in Kerst.

Het is allemaal begrijpelijk. En misschien is Kerstfeest ook wel daarom zo populair tot ver buiten de kerk, omdat het onze jaarlijkse antidotum is tegen de gebruikelijke ellende, de kommer en kwel in de wereld. Kerst als een soort collectieve antigriep-injectie.
Ik heb niks tegen een goede Kerstsfeer. Maar dan moet je er eerlijkheidshalve wel bij vertellen wat een góede Kerstsfeer is. Want juist bij Kerst ligt misbruik voor de hand bij onoordeelkundig gebruik. Kerst is niet de idylle die wij er soms van maken. Het is niet de zoetsappigheid van goedkoop sentiment. De boodschap van Kerst is veel radicaler en scherper dan wij vaak denken.
Dat wordt duidelijk uit het lied van Maria, het Magnificat.
Er wordt veel gezongen rond Kerst. Dat geldt voor onze kerstvieringen en kerstliedjes, maar dat geldt ook voor het evangelie van Lucas. Het lied dat Maria vanmorgen zingt, wordt het hele jaar door gezongen. Het Magnificat – dat is Latijn voor de eerste woorden, ik maak groot de Heer – het Magnificat hoort tot de vaste elementen van de vesperliturgie in de kloosters en wordt dus over heel de wereld dagelijks in kloostergemeenschappen gezongen. Is het daar het hele jaar Kerst?

Dit lied van Maria klinkt bij ons in de kersttijd en vanwege zijn plaats in het evangelie lijkt het verbonden met het Kerstfeest. Het is immers het lied dat Maria zingt als ze bij haar oude tante Elisabet op bezoek is. Maria begroet Elisabet. Het kind in Elisabet’s schoot beweegt en Elisabet raakt vervuld van de heilige Geest. Ze weet kennelijk dat haar jonge nichtje ook zwanger is – vrouwen zien dat – en ze zegt, ze zingt: De meest gezegende ben je van alle vrouwen en gezegend de vrucht van je schoot. Dat is nog eens een babyshower. En van de weeromstuit gaat Maria zingen.

Als je dat zo leest en hoort, is het niet zo moeilijk te begrijpen dat dit hele verhaal iets gestileerds heeft. Lucas de evangelist doet zijn best om de geboorte van Jezus met mooie verhalen op te leuken. Dat klinkt wat te populair. Laat ik het zo zeggen: Lucas gebruikt allerlei elementen om het verhaal van Jezus’ geboorte in te kaderen. Daarin past het om een aantal hoofdrolspelers niet alleen tekst maar ook muziek mee te geven. Het wordt haast een Kerstmusical.
En voor het lied van Maria grijpt tekstschrijver Lucas terug op oude voorbeelden uit de bijbel. Want het lied dat dit jonge meisje in de mond wordt gelegd – waar haalt ze de woorden vandaan? – lijkt wel heel veel op het lied dat ooit Hanna, de moeder van de profeet Samuël zong. Het schijnt zelfs zo te zijn dat tot op de dag van vandaag jonge aanstaande moeders in het Oosten dergelijke liederen zingen. Een danklied, een loflied, omdat God redding brengt uit vernedering en verdrukking; omdat God de kant van de armen en de zwakken kiest. Het is een lied van de armen en de nederige en eenvoudige mensen. Een negrospiritual. Een slavenliedje. Een oud refrein…
Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm,
en drijft uiteen wie zich verheven wanen
heersers stoot hij van hun troon
en wie gering is geeft hij aanzien.

Het is een revolutionair liedje. Hebben we dat wel door? Wordt dat wel beseft in al die kloosters en kerken waar dag aan dag het Magnificat klinkt, meerstemmig, meer dan stemmig? Ik mag het hopen, toch.
Het is een opruiend liedje, misschien ook wel. Helemaal geen kerstidylle. Het Magnificat lijkt meer op de Internationale, Ontwaakt verworpenen der aarde, dan op I’m dreaming of a white Christmas.
Je kunt je erover verbazen hoe zo’n lied in het kerstevangelie terecht gekomen is. Maar die verbazing zegt dan meer over ons vooroordeel hoe Kerst zou moeten zijn – even geen gedoe aan het hoofd, laten we het gezellig houden, vrede op aarde en zo.
Maar is dat Kerst? Of is de komst van dit kind dat nu nog in Maria’s schoot verkeert, betekent zijn komst nu juist niet het begin van een werkelijke omkeer, een revolutionaire verandering?

Als God ingrijpt, dan altijd ten behoeve van de arme en de geringe, de mensen van lage staat en stand. Hij heeft oog gehad voor mij, zingt Maria, zijn minste dienares. Of: een heel gewoon meisje, zoals de Bijbel in Gewone Taal vertaalt
Als God in de wereld komt, dan altijd bij de mensen zonder aanzien, in een eenvoudige dierenverblijf, te midden van de landmensen – herders en ander ongeregeld volk. Hij wordt geboren als een kind, dat met zijn ouders moet vluchten, een vluchtelingenkind.

In het evangelie van Lucas is, meer dan in de andere evangeliën, er bijzondere aandacht voor dit aspect, voor de maatschappelijke kant van Jezus’ komst en van Jezus’ boodschap. Hij is de redder der armen, die Gods bevrijding belichaamt voor alles en iedereen die in de wereld tekort komt en achteraan komt.
Het is juist deze maatschappelijke of zo u wilt politieke kant van het verhaal, die wij vaak verdonkeremanen. Dan zeggen we: ‘Nu even niet. Dat verstoort de kerstromantiek. Niet nog meer onrust, alsjeblieft’.
Maar Kerst betekent ook dat God fikkie komt stoken in ons geregelde leventje. Hij pookt het vuurtje van de revolutie op. Zoals het er nu aan toegaat, zo kan het niet langer. Stille nacht, heilige onrust. Dat betekent niet dat het met Kerst niet gezellig mag zijn. Maar gezelligheid is wat anders dan gezapigheid. Echte gezelligheid, het woord zegt het al, is een kwestie van echte gemeenschappelijkheid, met gezellen. Kerst verbindt, hoog en laag, arm en rijk, vreemdelingen en bijwoners. Daar gaat Maria’s lied over, als ze zingt van Gods barmhartigheid – echt een bijbels woord, maar niks niet klef of zalverig – over Gods liefde die oog heeft voor het kleine en kwetsbare en zó, op die manier, verbindend werkt, verzoenend.

Kerst is het antigif tegen alles wat mensen uit elkaar drijft en tegen elkaar opzet.
Terreur en de angst voor terreur.
Het is verzet tegen de angstige en schandalige vooroordelen, zodat nota bene een project om vluchtelingen voor ouderen te laten koken en samen met hen te eten, afgeblazen wordt. Triest dieptepunt in deze week wat mij betreft.

Kerst vieren, de revolutionaire strekking van de kerstboodschap verstaan, is een tegengif tegen het klakkeloos meegaan in het vertoog van wie scheiding zoekt en angst zaait, je niet mee laten zuigen in de logica van het geweld en het tegengeweld. Is blijven geloven, tegen alles in, dat deze wereld anders kan en ander moet en anders zal – een wereld van vrede, én van recht. Want die twee horen onlosmakelijk bij elkaar, daar zijn we vanmorgen mee begonnen, Psalm 85, dat zingt van “het heilig land waar goedheid trouw ontmoet / het recht de vrede met een kus begroet”.

Vrede zonder recht is een sentimentele emotie, een oppervlakkig kerstliedje misschien, maar wel oppervlakkig en dus goedkoop.
Vrede, de vrede van Kerst, gaat gepaard met recht, met rechtvaardige verhoudingen, met mensen die tot hun recht komen, hier en overal. Want iedereen telt mee – juist ook de zwakken en geringen, zijn minste dienares zoals Maria van zichzelf zingt, een heel gewoon meisje, de minsten van mijn broeders en zuster (vgl. Mat. 25).
Laat die boodschap van het eeuwige lied Magnificat de wereld vervullen, vandaag en alle dagen.
AMEN

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter