Boeken

Albert Camus, De pest

Er gaan momenteel lijstjes rond van boeken die je kunt lezen nu we allemaal gedwongen thuis zitten. De pest, van Albert Camus, wordt veel genoemd. Het verscheen in 1947 en was meteen een internationale bestseller. Gelukkig had ik het in de kast staan (13e druk, 1968), dus hoefde ik er niet voor de deur uit.
Deze roman gaat over een pestepidemie die bijna een jaar lang rondwaart in de havenstad Oran, aan de Algerijnse kust. De stad wordt afgegrendeld van de buitenwereld. De epidemie houdt de bewoners in haar greep. Hoofdpersoon is dr. Rieux, die vooraan staat in de frontlinie om de ziekte te bestrijden. Daarnaast zijn er andere personages, waarmee Rieux samenwerkt of met wie hij te maken krijgt. Iedereen reageert op een eigen manier op de crisis. Zo ontstaat er een staalkaart van menselijke gedragingen geconfronteerd met een noodsituatie.
In 1957 kreeg Albert Camus de Nobelprijs voor de Literatuur, mede dankzij het succes van La Peste, dat alom werd gezien als een belangrijke roman en spiegel van zijn tijd.

Ik geef graag mijn leeservaringen door, waarbij ik vooral aandacht besteed aan twee passages in het verhaal, waarin preken worden beschreven die pater Paneloux, één van de personages, in de plaatselijke kathedraal houdt over de pest als gesel Gods.

Het begin van de roman, geschreven in de vorm van een verslag opgetekend door een anonieme verteller, roept meteen overeenkomsten op met onze actualiteit. De epidemie dient zich geleidelijk aan. Er wordt een dode rat gevonden, daarna meer, totdat er berichten over dode ratten in alle wijken van de stad verschijnen. Dan wordt er iemand ziek, hoge koorts, builen en zweren, verschijnselen die wijzen op de pest. Hoe kan dat? Die ziekte is toch uitgeroeid? Eerst wordt het gebagatelliseerd, er worden grapjes gemaakt, totdat de ernst van de situatie langzaam maar zeker doordringt. “Van dat moment af was de vrees opgewekt die tot nadenken dwong.”
Het dodental stijgt snel. De verontrusting begint vat te krijgen op de inwoners en bestuurders van de stad. “Onze medeburgers, die tot op dat ogenblik waren doorgegaan met hun onrust te verbergen onder grapjes, liepen nu over straat met stille en terneergeslagen gezichten.”

Dr. Rieux doet ondertussen wat hij kan. De stad wordt op een gegeven moment afgesloten van de buitenwereld. Het goederen- en personenverkeer komt tot stilstand. Zijn eigen vrouw is kort voor de uitbraak naar het buitenland gereisd voor een kuur. Daardoor zijn ze noodgedwongen gescheiden. Het contact verloopt moeizaam, per brief of telegram. Al zijn aandacht gaat naar de bestrijding van de epidemie en de koortsachtige zoektocht naar een werkend serum.

“Tegen het einde van de maand besloten nu de kerkelijke autoriteiten van onze stad de pest met hun eigen middelen te bestrijden door een week van gemeenschappelijk bidden te organiseren.” Met deze licht ironische zin, wordt pater Jezuïet Paneloux geïntroduceerd, die gevraagd is om bij de plechtige mis ter ere van St. Rochus (de heilige pestlijder) te preken. “Vurig en hartstochtelijk van aard als hij was, had hij vastbesloten de taak aanvaard, die men hem opdroeg. Lang tevoren werd er in de stad al gesproken over de preek en op een bepaalde manier vormde deze een belangrijk moment in de geschiedenis van deze periode. Velen namen deel aan de week. Niet dat in normale tijden de inwoners van Oran zo vroom waren (…) Het merendeel van hen, die aan de gezamenlijke bidweek deelnamen, dacht er juist zo over als een der gelovigen het uitdrukte tegenover dr. Rieux: ‘In elk geval kan het geen kwaad’.”

Paneloux ontpopt zich als een echte boeteprediker. “’Broeders, gij zijt in grote nood, broeders, gij hebt het verdiend!’” en hij wijst op de pest in Egypte: “’De eerste maal dat deze gesel voorkomt in de geschiedenis der mensheid is het , om de Godsvijanden te verslaan. Pharao komt in verzet tegen de eeuwige raadsbesluiten en dan werpt de pest hem op de knieën. Sinds het allereerste begin van de geschiedenis werpt de gesel Gods de hovaardigen en verblinden aan zijn voeten. Overdenkt dit en buigt uw knieën’.”  Nu we momenteel Exodus op het kerkelijk leesrooster hebben staan en deze zondagen zelfs het verhaal van de plagen, is het bijzonder frappant om deze passage te lezen.

Interessant is dat Paneloux twee keer preekt, ook verderop in het boek. De epidemie waart dan al maanden rond en houdt de stad en haar bewoners stevig in haar greep. De sfeer is er een van gelatenheid en groeiende wanhoop. Hiervoor is beschreven hoe een besmet kind, dat een serum krijgt toegediend dat wellicht kan helpen, desondanks toch sterft na een kwellende doodsstrijd. Paneloux is daar getuige van.

De toon van zijn preek is nu anders, ‘zachter en bedachtzamer’ met soms ‘een zekere weifeling’ in zijn betoog. Wat hij in zijn eerste preek had beweerd, bleef volgens hem evenzeer waar als toen, maar hij had het ‘destijds gedacht en gezegd zonder barmhartigheid’.
De strekking van deze preek is dat “men niet moest trachten het schouwspel dat de pest bood te verklaren, maar men moest proberen er de verborgen lering uit te trekken.” Die lering bestaat er uit, om de gebeurtenissen ‘onvoorwaardelijk te aanvaarden’. Hij predikt daarmee geen fatalisme, geen doffe berusting, en zeker bedoelt hij niet dat men zou moeten vluchten voor het gevaar. Nee, wat belangrijk is, is de moed om te blijven. “Men moest niet luisteren naar de moralisten die beweerden, dat men op de knieën moest vallen en alles weerloos laten gebeuren, men moest proberen voorwaarts te komen in het donker, als het ware blindelings, men moest trachten goed te doen. Maar men moest blijven en alles in Gods handen leggen en Zijn wil aanvaarden, zelfs als het de dood van kinderen betrof, zonder een andere toeverlaat te zoeken.”

Kort na de tweede preek, wordt de priester zelf ziek, al blijft onduidelijk of het de pest is. Volgens Rieux die hem onderzoekt heeft hij geen van de voornaamste symptomen van de ziekte, maar is het toch beter dat hij geïsoleerd wordt. “De pater glimlachte zonderling, alsof het slechts uit beleefdheid was, maar zweeg (…) In het ziekenhuis sprak Paneloux geen woord meer. Hij liet alles met zich doen en onderging alle behandelingen als een ding, maar hij liet het kruisbeeld niet los. Intussen bleef het geval van de priester twijfelachtig. Rieux was nog steeds niet zeker van zijn zaak. Het was de pest en het was die toch niet”. De volgende dag, verhevigen zich zijn klachten. “Midden in de heftige koortsvlagen behield Paneloux zijn onverschillige blik en toen men hem de volgende morgen dood vond, half buiten bed hangende, waren zijn ogen uitdrukkingsloos. Op zijn kaart werd vermeld: twijfelachtig geval.”

De twee preek-passages zijn niet de belangrijkste scènes in het boek, maar spelen toch hun eigen rol. Wat betekent het dat Camus Paneloux meteen na zijn tweede preek zwijgend laat sterven, als een ‘twijfelgeval’? Is dat symbool voor het echec van een christelijke ‘verklaring’ voor de pest? Maar Paneloux wilde nu juist naar eigen zeggen geen verklaring meer geven, alleen een weg wijzen om de crisis te doorstaan – de onvoorwaardelijke aanvaarding. Betekent zijn eigen einde, dat hij die aanvaarding kon waarmaken, of is zijn ondoorgrondelijk zwijgen uitdrukking van het tegendeel? Wat betekent het dat hij het kruisbeeld krampachtig vasthoudt, maar dat tegelijk zijn blik onverschillig is en zijn ogen uitdrukkingsloos?
Goede literatuur roept vragen op, zonder ze te beantwoorden. Dat mag iedere lezer/es zelf doen.

Twee andere passages uit het boek wil ik naar voren halen, waarin misschien duidelijk wordt in welke richting Camus zelf het antwoord op het lijden zoekt.
Eén van de personages is de journalist Rambert. Hij probeert diverse keren de afgegrendelde stad te ontvluchten, naar zijn jonge geliefde die in Frankrijk zit. Zijn poging om te ontsnappen krijgt gaandeweg iets dwangmatigs. In gesprek met Rieux en met Tarrou, een vriend van de dokter, zegt Rambert:
“- Luister Tarrou, ben jij in staat te sterven voor een liefde?
– Dat weet ik niet, maar nu geloof ik van niet.
– Daar zie je. Maar je bent wèl in staat te sterven voor een idee, dat blijkt wel. Nu, ik heb genoeg van die lui, die sterven voor een idee. Ik geloof niet aan heldenmoed, ik weet dat die gemakkelijk is en ik heb geleerd, dat die moorddadig kan worden ook. Wat mij interesseert, dat is leven en sterven voor wat men liefheeft.
Rieux had aandachtig naar de journalist geluisterd. Zonder zijn blik van hem af te wenden zei hij zacht:
– De mens is geen idee, Rambert.

De ander sprong van het bed, rood van opwinding.
(…)
– Je hebt gelijk, Rambert, absoluut gelijk en voor niets ter wereld zou ik je willen afhouden van wat je gaat doen en wat me billijk en juist lijkt. Maar toch moet ik je één ding zeggen: dit alles heeft met heldenmoed niets te maken. Het gaat hier om fatsoen. Het kan belachelijk lijken, maar de enige manier om tegen de pest te strijden is fatsoen.
– Wat is fatsoen? vroeg Rambert, opeens ernstig.
– Ik weet niet wat het in het algemeen is. Maar in mijn geval weet ik dat het wil zeggen: mijn beroep uitoefenen.”

Een tweede, misschien wel cruciale passage in het boek, is het gesprek tussen Rieux en Tarrou.
Tarrou is een wat mysterieuze alleenstaande man, die kort geleden in de stad is komen wonen (bijna alle personages in de roman zijn overigens mannen, die alleen zijn, of van hun geliefde gescheiden zijn), en die zich met overgave inzet voor de bestrijding van de epidemie. Op een avond maken ze een zwemtocht in zee, terwijl op de achtergrond de geluiden van onlusten in de stad te horen zijn. Voordat ze het water instappen, is er de volgende dialoog:
“- Kortom, zei Tarrou eenvoudig, wat mij interesseert is, te ontdekken hoe iemand een heilige kan worden.
– Maar je gelooft niet in God.
– Juist daarom. Kan men een heilige zijn zonder God, dat is het enige concrete probleem dat ik tegenwoordig ken.
Opeens straalde een sterk licht uit de richting van waar de kreten hadden geklonken en op de wind dreef een vaag rumoer naar de twee mannen toe. Het licht verzwakte dadelijk weer en ver weg, aan de rand der terrassen, bleef slechts een rosse gloed zichtbaar. Tarrou was opgestaan en luisterde. Er was niets meer te horen.
– Er is weer gevochten bij de poort.
– Nu is het voorbij, antwoordde de dokter.
Tarrou mompelde dat het nooit voorbij zou zijn en dat er altijd weer slachtoffers zouden bestaan, omdat dit hoorde bij de orde der dingen.
– Misschien, zei Rieux, maar weet je, ik voel me meer solidair met de verslagenen dan met de heiligen. Ik geloof, dat ik geen instinct heb voor heldenmoed en heiligheid. Wat mij interesseert, dat is mens te zijn”.
Waarna Tarrou raadselachtig repliceert: “ – Ja, we zoeken naar hetzelfde, alleen ben ik minder eerzuchtig.”

In de jaren vijftig en zestig werd er door theologen druk gediscussieerd over het werk van Camus. Camus nam in het filosofische en intellectuele landschap van die tijd een eigen plaats in. Samen met Sartre, met wie hij vaak in één adem wordt genoemd, was hij aanvankelijk het gezicht van de existentiële filosofie, waarin de levensvragen van de moderne mens centraal staan, in een tijd die wordt getypeerd door secularisatie (het echec van het gevestigde christendom) en zinloosheid (in de nasleep van de oorlog). Camus was meer schrijver dan filosoof. Hij raakte in conflict met Sartre, die een radicaal politieke koers ging varen.
Camus kwam in 1960 om bij een auto-ongeval.

In de theologie was het de tijd van de secularisatie-theologen, God werd dood verklaard – dat wil zeggen de metafysische God-Regisseur. Bonhoeffer’s gevangenisbrieven werden ontdekt, met zijn fascinerende mijmeringen over een ‘a-religieus christendom’ en een ‘wereldse interpretatie’ van de geloofsbegrippen.

In een mooi boekje van Hans Achterhuis, Camus: De moed om mens te zijn (uit 1969), snuif je de sfeer uit die tijd op (ook dat had ik in de kast staan…). Het is fascinerend om een halve eeuw later deze theologische en ethische discussies te herlezen. Niet alleen vanwege het tijdsbeeld, maar ook om de blijvende actualiteit van Camus (en Bonhoeffer?).
Achterhuis constateert dat veel theologen de ethiek van De pest prijzen. De basis daarvan echter, een levensvisie die de illusieloze absurditeit van het leven benadrukt, “is voor de meeste gelovigen onverteerbaar: men is het wat dat betreft met de auteur eens dat La peste zijn meest anti-christelijke boek is”, schrijft Achterhuis, waarbij mij niet helemaal duidelijk is of met de auteur Camus of Achterhuis zelf wordt bedoeld (verderop in het boek blijkt het een kwalificatie te zijn van een literair criticus). In ieder geval vind ik het een nogal stellige uitspraak. Camus laat Paneloux, die in het boek de ‘stem’ van het geloof vertolkt, als een ‘twijfelgeval’ sterven. Hij behandelt de priester met meer deernis, dan dat hij in deze figuur zou afrekenen met het christendom of een christelijk antwoord op het lijden. Paneloux heeft zich in zijn tweede preek toch niet voor niets afgekeerd van de gemakkelijke antwoorden? De aanvaarding die hij predikt, betekent niet dat men niet moet ‘trachten goed te doen’. Is dat niet precies wat Rieux en Tarrou ook proberen te doen?

Het boekje van Achterhuis is interessant, maar draagt duidelijk de sporen van de verhitte theologische discussies in de jaren zestig. Er moest, ook door Achterhuis zelf, nog het nodige afgerekend worden met een traditionele theologie, die het lijden verheerlijkt en beantwoordt met de goedkope troost van een zalig hiernamaals.
De humanistische ethiek van Camus, die zich God probeert voor te stellen zonder onsterfelijke ziel (zoals hij zelf ooit formuleerde) en die niet in de christelijke hoop op een hiernamaals kan geloven, maar daarmee zichzelf niet als wanhopig beschouwt, roept vandaag minder weerstand op onder gelovigen, die zelf in veel gevallen ook al lang afscheid hebben genomen van ideeën als de onsterfelijke ziel en het hiernamaals.

Op de laatste bladzijde van de roman, als de verteller zichzelf heeft onthuld als dr. Rieux, de getuige van alle gebeurtenissen, verklaart hij het verhaal te hebben geschreven “… om niet een diergenen te zijn die zwijgen, om te getuigen voor deze verpesten, om tenminste een herinnering te bewaren aan het onrecht en geweld dat hun was aangedaan en om eenvoudig te verklaren, wat men leert te midden van grote gesels: dat in de mens toch meer bewonderenswaardigs is dan verachtelijks. Maar toch besefte hij, dat deze kroniek niet die kon zijn van de uiteindelijke overwinning. Ze kon slechts getuigenis afleggen van wat verricht was en zonder twijfel nog verder verricht zou moeten worden, in weerwil van elke persoonlijke ellende, tegen de terreur en haar onvermoeibare wapens, door alle mannen die geen heiligen kunnen zijn, maar weigeren de gesels te aanvaarden en zich inspannen geneesheren te zijn.”

Het lijden is niet te verklaren, maar wel te bestrijden. Of dat gebeurt nu in de naam van God, of omwille van de mens, is dat uiteindelijk niet hetzelfde?

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter