Boeken

Alain Verheij, God en ik

Alain Verheij, zelfverklaard randkerkelijk theoloog, is nog geen 30 jaar maar heeft toch al een religieuze biografie geschreven. Hij heeft dan ook in religieus opzicht meer meegemaakt dan menig mens zijn leven lang. Geboren in een doorsnee protestants gezin, keurig gedoopt en opgevoed met avondgebedjes en zondagsritueel, gaat hij als jongetje noodgedwongen mee met zijn ouders als die voor een evangelische gemeenschap kiezen. Na een paar jaar pubert Alain zich hieruit vandaan en duikt hij onder bij de Nederlands Gereformeerden, een orthodoxe kerkgenootschap. Hij studeert er zelfs theologie en trouwt als begin twintiger met een medestudente. Inmiddels is hij daar ook al van bekeerd, zowel van de NGK als van de studente. Een pijnlijke scheiding later doet Alain het qua geloof zonder kerkelijk lidmaatschap en is hij zo het vleesgeworden voorbeeld van de moderne trend: believing maar niet belonging. Hij heeft een zekere bekendheid opgebouwd als publiek theoloog door zijn bijdragen aan het Theologisch Elftal in Trouw en vooral via zijn Twitteraccount (naar het schijnt).

In het vlotgeschreven boekje met de enigszins pretentieuze titel doet Alain verslag van zijn omzwervingen in kerk en Bijbel. Vooral dat laatste vindt hij belangrijk. Verheij is een liefhebber en met verve en vaart vertelt hij een aantal belangrijke Bijbelverhalen na, verbindt ze met zijn eigen biografie, maar laat tegelijk zien hoe deze oude verhalen relevant kunnen zijn voor (jonge) mensen vandaag. Ook de minder bekende verhalen doen er toe (doe ook de Rispa-proef, zie vanaf pg. 115). Zijn boek is vooral geschreven om de betekenis van de oude verhalen en kerkelijke rituelen voor een jong publiek duidelijk te maken. De kapstok is zijn eigen biografie.

Daarom begint het met de doop, want Alain is als kind gedoopt. De doop is geen eigen keuze dus veel mensen hebben daar moeite mee. Je schendt dan de ‘autonomie van de baby’. Maar hebben we het in het leven altijd wel voor het kiezen, is de tegenvraag. Een beetje geforceerd om daar de waarde van de doop aan te ontlenen. Verweij haalt er gelukkig ook de dragende verhalen bij die laten zien dat er in de doop nog wel wat meer aan de hand is. Een diep besef van afhankelijkheid, maar ook van een basaal vertrouwen dat ieder mens nodig heeft.

In het tweede hoofdstuk schetst hij de waarde van alledaagse rituelen, waar je doorgaans in je jonge jeugd mee kennis maakt. Ze helpen je orde aan te brengen en prioriteiten te stellen, al moeten we ze wel omvormen naar de hedendaagse situatie. Het bijbelse gebod om de sabbat (rustdag) te eren, wordt dan de oproep om wat vaker de vliegtuigmodus op je smartphone in te schakelen (p. 41), of het oude religieuze ritueel van het vasten wordt een ‘challenge’ waar je aan mee kunt doen (verderop, op p. 96) – het principe blijft hetzelfde. Ook de zegeningen van het vertellen van verhalen, het samen lezen en samen zingen worden bezongen:  Juist valse koren kunnen de wereld welluidender maken  (p. 49).

Aan de hand van zijn eigen biografie volgen hoofdstukken over radicaal puberen – zijn jaren in de evangelische beweging; over de ontdekking van het lichaam en het richting kiezen. Het bracht hem zoals gezegd bij de NGK, orthodox en bijbelvast met een mild randje.

Verheij heeft een toegankelijke stijl en komt vaak met leuke voorbeelden. Hij is persoonlijk en bij wijlen ontroerend, in de tekening van zijn ouders bijvoorbeeld (met moeder in Droomvlucht in de Efteling) en in het portret van een overleden oud-leraar. Over zijn vroege huwelijk en daarop volgende scheiding zou je daarentegen nog wel wat meer willen lezen. Niet uit nieuwsgierigheid naar wat privé moet blijven, maar wel hoe dat alles te maken heeft met Alain’s veranderende keuzes op religieus gebied. Hij beperkt zich tot de eenvoudige (?) opmerking dat ‘liefde op was’ en heeft vervolgens wel heel veel ruimte voor de verhalen van Jakob, Job en Jozef (de drie J-s?) om het over rouw en rouwverwerking te hebben – van een ander.
Na dit hoofdstuk over omgaan met tegenslagen volgt het zevende (!) en afsluitende over de zin in het leven: “Wat een ander ook van je zegt en wat je zelfbeeld ook is: vanuit het perspectief van de liefde ben je aanvaard als mens. Wat een ander – of een boek – je ook voorschrijft en waar je eigen wil je ook toe drijft: als je vanuit het perspectief van de liefde probeert te leven, zul je een mooier mens zijn” (p. 175).

God en ik, is al met al een heel aardig boek waarin Verheij zijn liefde voor de Bijbelse verhalen goed over weet te brengen. Of dat ook aanslaat bij zijn generatiegenoten, weet ik niet, maar aan het enthousiasme van de schrijver zal het niet liggen.

Alain Verheij, God en ik, wat je als weldenkende 21e-eeuwer kunt leren van de bijbel, Atlas Contact Amsterdam ,Isbn 9789045035734, 192 pag, €18,99

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter