Boeken

Aad van Egmond, Het christelijk geloof

Aad van Egmond heeft na 12 jaar predikantschap, de rest van zijn carrière dogmatiek gedoceerd aan de Vrije Universiteit. In 2002 nam hij afscheid maar de liefde voor zijn vak is gebleven, want nu, zoveel jaar later en inmiddels behoorlijk op leeftijd, publiceert hij zijn inleiding op het christelijk geloof. Een forse klus, waar hij zeven jaar aan heeft gewerkt en dat hij opdraagt aan zijn kleinkinderen, waarvan hij hoopt dat als ze zijn boek ooit lezen “de essentie begrijpen: zonder liefde zijn we nergens” ( p. 12).

Het persoonlijke stempelt zijn boek, maakt het prettig leesbaar, ook vanwege de nuchtere toon. Tegelijk biedt het een overzicht van wat hij in zijn theologisch leven aan kennis heeft opgedaan. Dogmatische stelligheid, die je misschien van een gereformeerd dogmaticus zou verwachten, is gelukkig nergens te vinden.

Van Egmond begint met het beeld van een vrouw, met haar kind op de vlucht voor geweld in Oost-Congo, met doodsangst in haar ogen “De meest levensechte madonna-met-kind die ik ooit zag” (17). Maar meteen na dit indringende beeld verdwijnt zij uit het zicht, gaat het over Jezus, en weet je dat je toch echt met een dogmaticus te maken hebt. “We proberen zicht te krijgen op het christelijk geloof (…) Voor dat zicht willen we beginnen bij Jezus Christus, althans bij de verhalen die over hem de ronde doen…” (19). De vrouw op de vlucht – de urgentie van de actualiteit – duikt pas weer helemaal tegen het einde op, op p. 406, waar ze overigens getransformeerd is van “een deerniswekkend slachtoffer van het geweld” tot “in haar liefde een teken van hoop” omdat “achter haar het silhouet van een man aan een kruis” zichtbaar wordt. Het resultaat van 400 pagina’s lang uitleg over het christelijk geloof dat je “leert met een andere bril te kijken”??

Van Egmond neemt een lange Bijbelse aanloop. De eerste twee delen van zijn boek die zo’n 2/3 van het totaal beslaan, besteedt hij aan een soort hervertelling van de Bijbel. Bij de weergave van het Oude Testament, door hem consequent Tenach genoemd, laat hij mooi zien dat deze teksten gelezen moeten worden vanuit de oerervaring van bevrijding (exegese begint bij exodus). Dat draagt bij aan een beter begrip en corrigeert een eenzijdig historische benadering.
Als hij aan het Nieuwe Testament begint, zet hij echter onbekommerd in bij de evangeliën, terwijl de oudste documenten de brieven van Paulus zijn, wat Van Egmond ook wel noemt, maar niet mee laat spelen in de manier waarop hij de teksten leest. De evangeliën bieden dus toch weer een soort levensbeschrijving van Jezus in plaats van dat ze een reflectie zijn op het (paulinische) geloof in de revolutionaire kracht van kruis en opstanding. De historische benadering van de Bijbel blijft dus overheersend, alsof er een soort groot Verhaal wordt verteld.

Het gebeurt allemaal op een toegankelijke manier, zonder onnodig theologisch jargon, maar hij blijft wel erg binnen de lijntjes kleuren. Van Egmond verwerkt de ontwikkelingen in bijbeluitleg en geloofsleer van de afgelopen decennia, zonder al te radicale paden in te slaan.

In het derde deel, we zijn dan inmiddels op pag. 281 – je vraagt je toch onwillekeurig af of die kleinkinderen het tot zover zullen volhouden – begint het eigenlijke dogmatische gedeelte, in de zin dat hij hier dieper ingaat op de geloofsleer. Opnieuw staat de leer centraal, die wordt uitgelegd en aangepast aan moderne omstandigheden, en niet het leven en de vragen die uit het moderne leven opkomen. Zo blijft het allemaal wat braaf en kabbelend en mist het de urgentie die verwoording van christelijk geloof met het oog op de uitdagingen van deze tijd nodig heeft. De verbinding met de praktijk van het christelijke leven, binnen en buiten de kerk, komt niet echt van de grond.

Tenslotte valt op dat hij nauwelijks refereert aan collega dogmatici. Dat maakt zijn boek goed verteerbaar voor een breed publiek, maar verhindert het zicht op de ontwikkelingen in de hedendaagse theologie en hoe Van Egmond zich daartoe verhoudt. De belangrijkste theoloog van de 20e eeuw Karl Barth wordt een paar keer genoemd met een gevleugelde uitspraak, maar daar blijft het zo’n beetje bij. De invloedrijke dogmatiek van Berkhof (Christelijk geloof, diverse drukken), maar ook de recente dogmatiek van VU-collega’s Van den Brink en Van der Kooi, zijn totaal afwezig. Datzelfde geldt voor nieuwere theologische stemmen.
De noten, die vooral naar Bijbelteksten verwijzen (bewijsplaatsen?) of soms niet meer bevatten dan een zin die om onduidelijke redenen niet in de hoofdtekst mocht blijven staan, brengen je niet zoveel verder. En dat zijn oud collega Harry Kuitert slechts één keer wordt vermeld (op pag. 304), op een opmerkelijk formele manier als Dr. H.M. Kuitert, doet je van alles vermoeden over de onderlinge verhoudingen in de afdeling systematische theologie van de VU, maar daar weet ik verder niets van.

Kortom, er staat niets verkeerds in dit boek, integendeel, maar ook nauwelijks iets dat vernieuwend is, scherp is of prikkelt. Een boek dat een goed overzicht biedt en dat dienst kan doen voor wie individueel of in kerkelijk groepsverband kennis wil nemen van hedendaagse opvattingen over Bijbel en christelijk geloof, dat echter niet de lijnen uitzet voor de theologie van morgen. Dat zal niet de ambitie van Van Egmond zijn geweest, al kun je je afvragen of de generatie van zijn kleinkinderen daar niet beter mee gediend zou zijn.

Aad van Egmond, Het christelijk geloof. Een eigentijdse introductie, Kok Boekencentrum Utrecht 2018, 428 pag., € 24,99

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter