Boeken

Taede A. Smedes, Thuis in de kosmos

Bij ons in de buurt ligt het Melkwegpad, op het terrein van de radiosterrenwacht in Westerbork. Daar kun je op een speelse manier een indruk krijgen van de omvang van het zonnestelsel, door objecten die de planeten verbeelden en die op afstand in schaal staan opgesteld. Een heel eind lopen als je daar met een paar kleine kinderen rondbanjert, weet ik uit ervaring. En dan hebben we het alleen nog maar over ons eigen zonnestelsel, maar “onze Zon is een onbeduidend sterretje en onze Aarde draait daaromheen, ergens in de buitenwijken van onze Melkweg. En ook ons Melkwegstelsel is ook niet bijzonder. Het is slechts een van de miljarden sterrenstelsels van het heelal”, schrijft godsdienstfilosoof Taede A. Smedes in zijn boekje Thuis in de kosmos. Een titel waar je wat om moet glimlachen bij de zojuist geciteerde informatie. Wie zich verdiept in de kosmos, duizelt het al gauw.

Smedes heeft daarvoor het Epos van Evolutie naverteld, het ‘grote verhaal’ dat in de natuurwetenschap wordt verteld over hoe alles is ontstaan en zich heeft ontwikkeld. Het komt erop neer dat we niet meer zijn dan sterrenstof, letterlijk en figuurlijk. Alle leven op Aarde is gevormd uit elementen die in sterren zijn gevormd (p. 42-43). Smedes heeft het om precies te zijn over 92% , wat nieuwsgierig maakt naar die overige 8, maar dat blijft onvermeld. Het gaat hem dan ook om de grote lijnen, om het verhaal dat met dit Epos wordt opgeroepen.
Want de verwondering of de verbijstering die je bevangt bij deze kennis, laat de mens niet onberoerd. Mensen zijn nu eenmaal betekenisgevers. Dat maakt ze unieke diersoorten. Hoe en waarom dat zo is, is een van de mysteries van het bestaan, maar zo zijn we nu eenmaal uit het proces van de evolutie gerold. We kunnen niet niet nadenken over onze eigen plaats in het universum en over wat dat betekent voor ons menselijk bestaan.

Smedes gaat het om de “filosofische en theologische vragen die opkomen door de ontmoeting met de wetenschappelijke evolutietheorie” formuleert hij aan het begin van zijn essay (p. 22). Want onder de indruk van onze nietigheid in het grote universum, moet je ook nog eens onder ogen zien dat ‘het heelal niet maalt om onze aanwezigheid’ (p. 46). De meeste tijd heeft het universum zonder de mens bestaan en waarom zou het dat in de toekomst ook niet kunnen? Als wij mensen niet meer zijn dan tijdelijke toevalligheden, wie zou het dan nog over zin en betekenis durven hebben? Of zoals iemand eens zei: Het is ooit met een knal begonnen en het zal wel met een sisser aflopen…

Juist dat laatste is Smedes te mager.
Ons bestaan heeft geen zin, maar mensen kunnen er wel een zin aan verlenen. Dat is in kort bestek zijn respons, als godsdienstfilosoof en theoloog. Hij grijpt de gelegenheid aan om inzichten die hij in zijn boek God, Iets of Niets? uit 2016 uitgebreider heeft verkend, nog eens uit de doeken te doen. Er is een geloofwaardige manier om te aanvaarden dat er geen inherente zin in onze werkelijkheid aanwezig is en tegelijkertijd te erkennen dat de confrontatie met de wonderlijke werkelijkheid én met het feit dat we überhaupt bestaan leidt tot het ervaren van zin. Er vallen dan woorden als ‘verwondering’ en ‘dankbaarheid’, ‘nederigheid’ en ‘eerbied’. Het zijn menselijke reacties op het wonder van het leven, die tegelijk een bepaalde houding ten opzichte van het leven impliceren. Er is geen God die ons heeft gewild of geschapen, noch een God die van buitenaf ingrijpt in onze werkelijkheid. Smedes neemt nadrukkelijk afscheid van een theïstisch godsbegrip. Maar de werkelijkheid kan wel een plek worden waar het “heilige zich manifesteert” (p. 76). De verwondering en de dankbaarheid om het leven, leiden tot een zorgvuldige omgang met alles wat kwetsbaar is. Leven in verantwoordelijkheid, noemt Smedes dat, in navolging van Etty Hillesum, die trouwens ook ooit in de buurt van Westerbork rondwandelde en toen gedwongen werd zich over heel andere dingen te verwonderen.

Juist het inzicht dat alles met alles samenhangt, groots verteld door het Epos van Evolutie, draagt bij aan een dergelijke houding van verantwoordelijkheid. We zijn met al het andere levende verbonden en tegelijk aan de Aarde gebonden. Er is een bijzondere wijsheid nodig om vanuit dat inzicht anders te gaan leven. Alleen mensen zijn daartoe in staat. Dat schept verplichtingen.“We zijn dan misschien niet het centrum van de kosmos, niet de spil waaromheen alles draait, niet het eindpunt van een kosmische ontwikkeling. Het universum is er niet speciaal voor ons. Maar op het moment dat de mensheid ten tonele verscheen en bewustzijn ontwikkelde, veranderde dat. Misschien heeft het universum in zichzelf geen zin en betekenis, maar in ieder geval kréég het zin en betekenis toen de mens verscheen die in staat bleek over de zin en betekenis van alles na te denken” (p. 90).

Taede Smedes heeft een knap en prikkelend essay geschreven, waarin hij op een intelligente manier zijn geloof verwoordt met in achtneming van onze wetenschappelijke kennis. Zijn post-theïstische opvattingen vragen om nadere uitwerking. Gaat het hier om ideeën die ook in een geloofsgemeenschap gedeeld (gevierd?) kunnen worden? Voegt het spreken over God (theologie) nog iets toe, of wordt het hooguit geduld als een ‘persoonlijke metafysica’ (p. 67)? Hoe krijgt het leven in verantwoordelijkheid precies gestalte? Is daar een ethiek op te bouwen of blijft het een kwestie van persoonlijke voorkeuren?

Het heelal maalt niet om onze aanwezigheid. Zou het dan ook niet net zo onverschillig blijven onder onze zinverleningen?

Taede A. Smedes, Thuis in de Kosmos. Het Epos van Evolutie en de vraag naar de zin van ons bestaan, Amsterdam University Press 2018, 9789462987081, 100 pag., € 12,50

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter