Dit weekend las ik de verhalenbundel Polsslag, van de Britse schrijver Julian Barnes.
Eén van zijn prachtige verhalen gaat over twee schrijfsters op leeftijd, Jane en Alice, die mijmerend over hun vroegere succes (“Ze hadden elk iets meer succes dan ze hadden verwacht, maar iets minder, achteraf gezien, dan waar ze recht op meenden te hebben“) per trein het land doorkruisen om in plattelandsstadjes literatuuravonden te verzorgen. In de trein komt het geloof ter sprake. Het gebeurt met de voor de schrijver kenmerkende mengeling van milde ironie en lichte verbazing, als Jane vertelt dat ze gelovig is geworden:
“‘Echt? Sinds wanneer? Of liever, waarom?’
‘Een jaar of twee. Het geeft de dingen wat zin. Doet alles minder … uitzichtloos lijken.’ Jane streelde haar tasje, alsof ook dat troost behoefde.
Alice was verbaasd. In haar wereldbeeld wás alles uitzichtloos, maar je moest je erin schikken. En het had weinig nut om aan het einde van de rit alles wat je geloofde te gaan veranderen. Ze vroeg zich af of ze serieus of luchtig zou antwoorden, en besloot tot het laatste.
‘Zolang jouw god drinken, roken en ontucht maar toestaat.’
‘O, dat vindt hij allemaal best’.
‘En blasfemie? Dat vind ik altijd de hamvraag als het over een god gaat.’
‘Dat laat hem onverschillig. Daar staat hij min of meer boven.’
‘Dan keur ik het goed.’
‘Dat doet hij ook. Het goedkeuren.’
‘Dat is weer eens wat anders. Voor een god, bedoel ik. Meestal keuren ze af.’
‘Ik denk niet dat ik een god zou willen die afkeurde. Afkeuring krijg je al genoeg in het leven. Genade, vergiffenis en begrip, dat hebben we nodig. Plus het idee van een allesomvattend plan.’
‘Heeft hij jou gevonden of jij hem, als dat een zinnige vraag is?’
‘Een uiterst zinnige vraag,’ antwoordde Jane. ‘Ik denk dat je wel kunt zeggen dat het wederzijds was.’
‘Dat klinkt … gezellig.’
‘Ja, de meeste mensen vinden dat een god niet gezellig hoort te zijn.’
‘Hoe zeggen ze dat ook alweer? Zoiets als: God vergeeft me wel, dat is zijn werk?’
‘En zo is het ook. Ik denk dat we God door de eeuwen heen veel te ingewikkeld hebben gemaakt.’
De trolley met sandwiches kwam langs, en Jane bestelde thee.”
(Julian Barnes, Polsslag, Amsterdam 2011, pp. 48-49)
