Vanmorgen vergaderd met collega’s uit de regio. We kwamen dit keer samen in het mooie Grolloo.
Was het zinvol? vroeg mijn vrouw. Tja. Ik vertelde wat we hebben gedaan. Afspraken, afstemming, ruimte voor ieders persoonlijk wel en wee, maar ook, zoals dominees betaamt, een inhoudelijk gesprek. Dit keer over de doop, naar aanleiding van een artikel dat één van ons ooit had geschreven. Past de kinderdoop nog wel bij deze tijd? Moeten we niet vaker kinderen zegenen in plaats van dopen, als vele ouders de betekenis van de doop (als inlijving in de gemeente, als afwassing van zonden e.c.) nauwelijks kennen laat staan onderschrijven?
Ik moest tijdens ons gesprek denken aan een passage die ik ooit bij Kaj Munk gelezen heb en die diepe indruk op mij heeft gemaakt. Thuisgekomen heb ik het even opgezocht. Het komt uit Actuele Eeuwigheid (1949, p. 283):

kaj munk (deens predikant, 1898-1944)
“Meer dan de anderen in zijn gemeente, zit een predikant er soms over te piekeren, wat de doop nu eigenlijk is. Zo’n doodeenvoudige moeder maakt zich daar niet druk over. Zij weet alleen, dat haar moeder haar ook liet dopen en dat haar grootmoeder haar moeder liet dopen, zo hoort het nu eenmaal, dat men zijn kinderen laat opnemen in een gemeenschap (…). Zeker, het is eigenlijk een wonderlijk iets, een klein kind dat er niets van kan verstaan en dat er niets op kan antwoorden, allerlei vragen te stellen en er het kruisteken over te maken en water over zijn hoofdje te gieten en onbegrijpelijke woorden te spreken; maar zo’n inwijding moet nu eenmaal iets geheimzinnigs zijn, iets mystieks, anders zou zij niet aan de ernst van geboorte en dood beantwoorden. En zo komt zij daar dan met haar kind en voelt zich verrijkt en gezegend, misschien juist omdat wat daar geschiedt haar verstand te boven gaat. En als dominee dan allemaal mooie en verstandige en wijze dingen bij elkaar gepiekerd heeft, zodat zijn hoofd er ten slotte van omloopt, dan gaat hij maar naar de kerk, ver weg van al die speculaties en gaat over tot de heilige handeling en daar treedt die jonge moeder hem tegemoet met haar geloof en haar vertrouwen en haar dankbaarheid, en waar hij in zijn studeerkamer mee worstelde, dat wordt nu bleek en onwerkelijk en onbelangrijk voor hem, vergeleken met het grote feit, dat hij hier midden in de werkelijkheid staat en zich zo heel dicht in de nabijheid voelt van de bronnen des levens.”