check, check, check

september 22, 2014 0 reacties

Via de Gezinsapp ontvang ik van één van onze uitwonende kinderen een berichtje met bovenstaande titel. Dankzij zijn ouders (en een actie van de krant) leest hij nu twee weken de Trouw en in de zaterdagkrant heeft hij het profiel van de archetypische dominee gezien:IMG-20140921-WA0001

Check, check, check.
Het blijkt inderdaad bijna naadloos bij zijn oude vader te passen. Hahaha. Dit rijtje is één van de resultaten van een enquete onder dominees die gehouden is naar aanleiding van 10 jaar PKN. Het beeld van de hedendaagse predikant dat daaruit naar voren komt is niet zo positief: vooral een naar binnengerichte, met zichzelf ingenomen, man van middelbare leeftijd, die zichzelf graag hoort (s)preken en niet voor missionair of diaconaal werk te porren is.
Pijnlijk?
De enquetevraag was naar het meest geliefde onderdeel van het predikantswerk, en dan wordt inderdaad het voorgaan in de viering veel vaker genoemd dan missionaire projecten. Maar kun je dan meteen concluderen dat die laatste er maar een beetje bijhangen? Als je zegt dat je liever drop hebt dan pepermunt, betekent dat toch niet automatisch dat je pepermunt  niet lekker vindt? Toen ik in een gesprek dergelijke tegengeluiden sputterde, reageerde iemand dat dit nu precies de reflex is als onderzoeksresultaten je niet bevallen. Als je in de spiegel kijkt en het beeld bevalt je niet, kun je dat de spiegel niet verwijten.
Ik zal het mijn kinderen vragen….

weer komen

september 19, 2014 0 reacties

Pas als ik aan kom rijden, zie ik dat de avond gehouden wordt in het gebouw van de Nederlands Gereformeerde Kerk. Tegelijk stromen de dames al toe, enkelen in de onmiskenbare Veluwse dracht, met het haar stevig in een knotje opgebonden en gekleed in lange rok.
Ik ben uitgenodigd om voor de plaatselijke Passage-afdeling te spreken over De God van Job. Dit keer dus op een dorp aan de noordrand van de Veluwe, net binnen de grens van 1 uur rijden van Assen, die ik mezelf heb opgelegd.

ontmoetingskerk - hattem

ontmoetingskerk – hattem

Zo’n ‘uitwedstrijd’ maakt altijd wat onzeker.
Als ik locatie en publiek monster, denk ik even: moet ik mijn verhaal nog wat aanpassen? Een paar scherpe randjes eraf? Misschien wat dieper ingaan op het al dan niet historische karakter van het boek? (Over dat laatste ben ik een keer flink onderhouden ergens in de Groningse veenkoloniën, waar het relationele waarheidsbegrip nog niet doorgedrongen was.)

Uiteindelijk kies ik ervoor bij mijn eigen verhaal te blijven.
Dat blijkt, zoals vaker, de juiste belissing. Zeker, als bij het vragen stellen aan het eind van de avond een mevrouw reageert met: ‘U mag wel eens weer komen…’.

Alsof je thuis in Drenthe bent…!

Deelexperiment from Geven Ontvangen Delen on Vimeo.

Verlangen. Een casus.

september 11, 2014 15 reacties

Vandaag vindt de presentatie plaats van het boek ‘Verlangen’, geschreven door Bernd Wannenwetsch, een Britse professor christelijke ethiek. Zijn boek is vertaald in het Nederlands en wordt uitgegeven door Boekencentrum. Via de mail word ik op de boekpresentatie geattendeerd. Omdat het mij wel interesseert, ga ik op zoek naar informatie over de voor mij onbekende schrijver.

Als je dat doet, ontdek je al snel dat deze meneer vorig jaar is veroordeeld voor het aanranden van een vrouwelijke medepassagier tijdens een vliegreis. Dat is tamelijk onthutsend nieuws, zeker voor een hoogleraar ethiek. Maar wat mij vooral stoort is dat hij volgens de berichtgeving tijdens het proces de feiten niet oprecht onderkent en probeert te verdoezelen. Door dit soort mechanismen, als daders de gevolgen van hun handelen onvoldoende onder ogen zien, worden de pijn en de gekwetste gevoelens van slachtoffers van misbruik vergroot. En dat vind ik zeer kwalijk.

250-RietveldOudekerk2012_054Ik lees dat onder andere Karin van den Broeke, preses van de PKN, meewerkt aan de boekpresentatie. Omdat ik haar (een beetje) ken, besluit ik haar te mailen. Is het wel verstandig om als voorvrouw van de PKN hier aan mee te werken? Je kunt dan de indruk wekken dat je meewerkt aan het toedekken van seksueel misbruik. Niet zozeer om wat de professor heeft gedaan – iedereen kan in de fout gaan – maar vooral omdat hij nadien onvoldoende afstand van zijn daad neemt. Hoe geloofwaardig kan iemand dan nog zijn, zeker als het gaat over ‘verlangen’, de titel van zijn boek, als hij blijkbaar zijn eigen seksuele verlangens niet onder controle heeft?

Na enig heen-en-weer gemail, laat Karin weten dat ze er bij nader inzien toch van afziet en haar toegezegde medewerking aan de boekpresentatie heeft ingetrokken.

Op de site van Boekencentrum verschijnen echter nieuwe namen, die bij de boekpresentatie een praatje zullen houden. Eén daarvan is van prof. Den Hertog, hoogleraar systematische theologie in Apeldoorn (Christelijk Gereformeerd). Hem ken ik ook (een beetje), dus besluit ik ook hem over deze kwestie te benaderen.
Hij reageert door te mailen dat hij het gebeurde “zonder meer kwalijk” vindt. Maar ook “dat de man al zwaar gestraft is (zijn carrière als hoogleraar ethiek is voorbij) en dat we niet moeten doen of de man melaats is. Uit Galaten 6 heb ik geleerd dat elkaars lasten dragen inhoudt dat je naast die ander in de modder gaat staan, om hem niet in een isolement ter laten wegzakken, waarin verbittering op de loer ligt”.

Ik ben gevoelig voor de argumenten van Den Hertog, maar vraag me toch af, of je op deze manier niet teveel begrip voor de dader hebt, waardoor de onderliggende mechanismen die tot dit soort ontsporingen leiden en waardoor slachtoffers in hun positie blijven klemgezet, onvoldoende worden erkend.

Wat is wijs?
Zondag mag ik preken over de vraag van Petrus aan Jezus hoe vaak we vergeving moeten schenken? “Tot zevenmaal toe? Jezus antwoordde: ‘Niet tot zevenmaal toe, zeg ik je, maar tot zeventig maal zeven'” (Mat. 18: 21).
Is dat dan het laatste antwoord?

de klokkenmaker

september 8, 2014 0 reacties

(verhaal verteld in de startdienst)

Er was eens een klein stadje, dat ver af lag van andere dorpen en steden. Er liep geen grote weg langs, alleen maar een smal, hobbelig pad, dat ergens tussen de heuvels verdween. De bewoners van het stadje vonden het niet erg om zo afgelegen te wonen. Ze vonden het eigenlijk wel lekker rustig. Er was geen druk verkeer, er waren geen kantoren en fabrieken en ook geen opdringerige toeristen. Voor alles wat ze nodig hadden –en dat was niet veel – konden de bewoners in hun eigen stad terecht. Er was een bakker die heerlijke zoete broodjes kon bakken. Er was een boer die aardappels, eieren, kaas en groente verkocht. Er was een timmerman die ook smid was en loodgieter en stratenmaker. Dan was er nog een oude schooljuffrouw, die de kinderen leerde lezen, rekenen en zingen en die tevens verstand had van geneeskrachtige kruiden, voor het geval er iemand ziek werd. Er was alleen geen klokkenmaker in het stadje. Als iemands klok kapot ging, kon die dus niet gerepareerd worden.

time-management-web
Zo kwam het dat na verloop van tijd niemand meer wist hoe laat het precies was. Sommige klokken wilden niet meer slaan. Andere liepen te vlug of juist te langzaam. Geen enkele klok liep nog gelijk. Niet dat dat erg was. ‘s Morgens vroeg als de haan begon te kraaien stond de bakker op om zijn zoete broodjes te gaan bakken. De geur van vers brood wekte de timmerman en het geklop van zijn hamer wekte de schooljuffrouw. Zodra de schooljuffrouw begon te zingen haastten de kinderen zich naar school. De mensen werkten tot het werk van die dag gedaan was. Dan haalden ze aardappels, eieren, kaas of groenten bij de boer. Ze aten, ze dronken en ze waren vrolijk. En ’s avonds gingen ze gewoon met de kippen op stok. Sommige mensen zeiden bij zichzelf: ‘Wat zou ik nog moeite doen om elke dag mijn klok op te winden. Ik heb immers niets aan een klok waarvan ik niet zeker weet of ie de juiste tijd aanwijst.’ En het duurde niet lang, of hun klokken stonden stil. Maar er waren ook mensen die gewoon door bleven gaan met het opwinden van hun klokken, ook al liepen ze misschien een heel eind voor of achter. Zij zeiden bij zichzelf: ‘Misschien komt er weer een klokkenmaker in ons dorp, die het maken kan’. Hun klokken tikten de minuten en sloegen de uren, ieder op hun eigen tijd.

Op een dag, ging het bericht rond dat er een klokkenmaker op weg naar het stadje was. ‘Hoera’, riepen alle mensen, ‘nu kunnen we eindelijk onze klokken laten repareren.’ Ze renden naar huis om hun klokken te halen en brachten ze bij de klokkenmaker.
De klokkenmaker bekeek alle klokken. De klokken die nog tikten, omdat de mensen ze waren blijven opwinden, kon hij nog repareren. De klokken die stil waren blijven staan zaten helemaal vastgeroest. Die konden niet meer gemaakt worden.

Zie hier.

aan boord

september 4, 2014 5 reacties

Jaren geleden hoorde ik op een kerkelijke vergadering twee collega’s over een derde praten. “Hij is toch hervormd? – Hoe kan het dan dat hij er zo gereformeerd uit ziet?” Zelf droegen zij een geruit jasje; het voorwerp van hun verbazing een Hans Spekmantrui.

Dominees en hun kleding. Altijd een heikel thema. Als het gaat om de klederdracht op zondag, wel of geen toga, zwart, wit of iets er tussenin, met of zonder bef, of stola in liturgische kleuren. Aan de kleding herkent men de kerkelijke ligging…

Nu breidt de discussie over onze kleedstijl zich ook uit tot de doordeweekse dracht. Dominees in zwart pak, dat zie je alleen op de bible-belt. In onze streken onderscheidt een predikant zich doorgaans niet van andere, gewone, mensen, maar wat is gewoon? Spijkerbroek? Moet kunnen. In overhemd? Ook, maar naar een kerkelijke vergadering schiet ik toch zelf graag een jasje aan. Op zondag ga ik zelfs in pak naar de kerk (met m’n togakoffertje achterop de fiets), maar ben dan één van de weinigen. De meeste mensen komen in vrijetijdskleding – wat op zich al een teken is van een veranderende beleving: de kerk als vrijetijdsbesteding. Voor vrouwelijke collega’s gelden andere afwegingen, maar ook zij worstelen met wat in welke situatie gepaste kledij is.

winnend ontwerp bij de toga 125 fashion award - antwerpen 2011

winnend ontwerp bij de toga 125 fashion award – antwerpen 2011

Sinds kort is er een nieuwe trend, lees ik in de krant: predikanten met een priesterboordje.
Volgens collega André van den Bor doet dat recht aan je publieke ambt: “Ik vind dat je altijd predikant bent. Het is geen negen-tot-vijf-baan. Het is deel van mijn existentie, van mijn wezen. Het is niet voor niets een ambt, een roeping. Als predikant ben je altijd aanspreekbaar, 24 uur per dag”. Hij vertelt er niet bij of hij ook met zijn boordje om in bed ligt.

In ieder geval maakt het boordje hem meteen streng, want smoesjes als ‘Ik wil vrij zijn’, of ‘Mijn partner wil het niet’, worden door hem direct afgeserveerd met: “Geen goede redenen.” Dat zal dan ook wel gelden voor mijn zwakke verweer, dat ik weinig lust heb om met zo’n boordje over straat te gaan.
Volgens mij kunnen predikanten die tobben over hun identiteit het beter zoeken in onderscheidend gedrag dan in onderscheidende kledij.

 

helmen

september 3, 2014 0 reacties

Vanmiddag bespreken we of we in Assen een gebedsdienst gaan houden voor de vervolgde christenen en andere minderheden in het Midden-Oosten. Op diverse plaatsen in Nederland is dat al gebeurd.
Twee weken geleden hebben we als gezamenlijke pastores van Assen een oproep tot gebed gepubliceerd. In veel plaatselijke kerken is daar aandacht aan besteed. Ook individueel is er veel op gereageerd.

arabische letter N, van Nasrani (christen)

arabische letter N, van Nasrani (christen)

Het geweld in met name Irak gaat onverminderd voort. Het is een machteloos makende situatie.
Natuurlijk is er meer nodig om het geweld te stoppen dan ons gebed. Toen de Koerdische peshmerga-commandant hoorde dat de Nederlandse regering had besloten om de strijd tegen IS te steunen met een zending gevechtshelmen en kogelwerende vesten, reageerde hij nogal schamper: ‘We hebben zware wapens nodig‘.
Die kunnen wij als kerken niet sturen. Ons zwaarste wapen is het gebed? Als teken van verbondenheid, en als oproep aan de wereld(leiders) dat we niet mogen stil zitten en zwijgen…

open doekje

augustus 30, 2014 1 reactie

Kerkvader Augustinus (gest. 430) was een begenadigd prediker. Tijdens zijn preken, werd hij dikwijls onderbroken door geroep van enthousiaste hoorders of door een klaterend applaus van het kerkvolk. In Augustinus de Zielzorger van Frits van der Meer, kun je het teruglezen:
“Waar een hedendaagsch gehoor zich bepaalt tot een zeldzaam knikken of spitsen van de lippen, liet het oude gehoor den spreker door kreten merken dat zij hem volgden, een tekst herkenden, een woordspeling begrepen – ongeveer als een klas jongens pleegt te doen bij een gezienen leeraar” (p. 377, het boek dateert uit 1947).applausmeter

Bij de start van het nieuwe theaterseizoen lees ik in de krant een artikel waarin kritiek wordt geuit op de typisch Nederlandse gewoonte om na elke muziek- of theatervoorstelling meteen een staande ovatie te geven. Hoe belabberd de uitvoering ook is geweest, of hoe saai het stuk, er volgt applaus, en steevast staande. Waar publiek in het buitenland nog wel eens boegeroep laat klinken, applaus beperkt tot een zuinige beleefdheid of achterwege laat, wordt in Nederland elke nuance om de mate van waardering te laten blijken uitgeschakeld. Ook het open doekje, het spontane applaus na een mooie aria, of na een fraaie toneelscène, is uitgestorven. Het lijkt erop alsof in de schouwburg nog maar één reactie mogelijk is, waar niemand van af durft te wijken. Geklapt zal er worden. Na afloop, en wel staande.

Zelf heb ik slechts een keer applaus ontvangen tijdens een kerkdienst. Het is al lang geleden, aan het einde van een middagdienst in een Fries dorpje, toen ik meedeelde dat ik een beroep had aangenomen en dit dus mijn laatste gastdienst was geweest. Ik heb dat toen uitgelegd als een teken van waardering, maar nu ik er over nadenk, kan het natuurlijk net zo goed uit opluchting zijn geweest. Heb ik toch de nuance gemist…?